ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

EEN TIEN MET EEN GRIFFEL

EEN TIEN MET EEN GRIFFEL

Een tien met een griffel

Auteurs
Dominique Sluijsmans, Zuyd Hogeschool/Universiteit Maastricht, Desirée Joosten-ten Brinke, Fontys Lerarenopleiding Tilburg/Open Universiteit en Carlos van Kan, ‎Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
 

Update maart 2019 door Dominique Sluijsmans

augustus 2016

Beoordelen is een cruciale taak van een docent, op basis van beoordelingen worden immers beslissingen genomen over de student. Maar hoe komt een docent tot een zorgvuldige beoordeling? Kijk je er wat beter naar, dan blijkt dat op heel verschillende manieren te kunnen met soms uiteenlopende resultaten. Een beknopt overzicht van het waarom, wat, hoe, wie en wanneer van beoordelen.
 

Drie manieren van beoordelen 

Bij beoordelen staan twee vragen centraal: Hoe stel je als docent vast dat een student iets geleerd heeft? En op welke manier stimuleer je het verdere leren? Deze vragen zijn beide van belang bij beoordelen in het (beroeps)onderwijs. Voor het beantwoorden van de eerste vraag gebeurt dat vaak op een criteriumgerichte wijze, waarbij studenten een oordeel krijgen op basis van objectieve criteria en standaarden. Normgerichte beoordeling vindt plaats als een student een score krijgt die zijn positie ten opzichte van bijvoorbeeld een medestudent weergeeft. Er is echter nog een derde manier om naar de voortgang van studenten te kijken: de ipsatieve aanpak. Dit is een sterk individueel getinte manier van beoordelen: de student wordt als het ware vergeleken met zichzelf op een eerder moment. Perfect passend bij het accent op het persoonlijke leerpad in het tegenwoordige onderwijs.
 

Waarom beoordelen? 

Een nog wat fundamenteler vraag: waarom willen we studenten zo graag beoordelen? Natuurlijk niet alleen omdat het moet, omdat het er nu eenmaal bij hoort. In essentie heeft beoordelen drie functies. We zetten ze op een rij:
  1. Summatieve functie. Centraal staat het nemen van beslissingen over het niveau van de student, een oordeel in termen van zakken of slagen, toelaten of selecteren. In het mbo maakt het Onderwijs- en Examenreglement (OER) inzichtelijk wat studenten aan een opleiding op een bepaald moment dienen te beheersen.
  2. Formatieve functie. Primair gaat het erom de ontwikkeling van het leerproces in beeld te brengen. Informatie over de vorderingen van de student wordt verzameld, vastgelegd en geïnterpreteerd. Met als doel om die kennis te gebruiken als feedback in het onderwijsleerproces.
  3. Duurzame functie. Het doel is hier het zelf leren reguleren van het leerproces door de student. Duurzaam beoordelen is erop gericht om leren in de toekomst te stimuleren. Het gaat niet zozeer om het afsluiten van een leercyclus, maar eerder om het starten van een nieuwe leercyclus. Essentieel is dat de prestaties van de student tot op zekere hoogte steeds worden vergeleken met de prestaties van de student zelf in plaats van alleen te worden afgezet tegen het groepsgemiddelde of vastgestelde standaarden op een aantal criteria.
    Belangrijk hierbij is dat het gaat om de functie van beoordelen, waarbij een toets meerdere functies kan aannemen. 
 

Wat beoordelen? 

Wat we beoordelen, hangt – als het goed is – altijd samen met de doelen van het onderwijs. Doelen in termen van kennis, vaardigheden, attitudes en/of competenties. En die doelen op hun beurt zijn weer afgeleid van de gewenste vaardigheden in een beroep, zoals vastgelegd in de kwalificatiedossiers en aanvullende regels van de overheid (rekenen en taal). Wil je kunnen meten, dan moet je die doelen operationaliseren: beoordelingscriteria en standaarden vaststellen. Dat gebeurt veelal in samenwerking met de werkvelden.Criteria kunnen betrekking hebben op cognitieve, affectieve of motorische aspecten. Anders gezegd: op kennis, vaardigheid (Kan de student de kennis zinvol toepassen?) en attitude (Houdt de student zich aan de juiste regels en procedures?). Alle beoordelingscriteria bij elkaar vormen een meer of minder verfijnde beschrijving van de gewenste leeruitkomsten uit het kwalificatiedossier.
 

Hoe beoordelen? 

Beoordelen is inzicht krijgen in de prestaties van de student, hier een waarde aan geven en te komen tot een beslissing. Om dit te doen heb je instrumenten nodig. Die zijn gelukkig in vele soorten beschikbaar. De keuze heeft allereerst te maken met principiële aspecten. Wat beoog je met beoordelen? Welke visie op beoordelen heb je als docent of team van docenten? Daarnaast spelen altijd ook praktische zaken een rol. Denk aan organiseerbaarheid en tijd.
Veel voorkomende instrumenten zijn: schriftelijke of computerondersteunde kennistoetsen met verschillende vraagvormen, mondelinge toetsen, proeven van bekwaamheid, peer assessments, reflectieverslagen en portfolio-assessments.
Belangrijk is om leren en beoordelen waar mogelijk te integreren. Het gaat erom dat kennis, vaardigheden en houdingen beklijven. Het is daarom verstandig al vaker tijdens het onderwijs toetsen te laten oefenen of zelfs studenten zelf te stimuleren de toets mee te ontwerpen, door ze bijvoorbeeld zelf toetsvragen te laten bedenken. 
Beoordelen zal moeten leiden tot een tastbaar resultaat. Bijvoorbeeld in de vorm van cijfers, categorieën, bewijzen van deelname, ingevulde beoordelingsschema’s (rubrics), ontwikkelingsplannen of mondelinge besprekingen. Maak studenten altijd door goede feedback duidelijk wat precies de betekenis van zo’n resultaat is, want pas dan kunnen zij er ook van leren. 
 

Wie beoordelen? 

In het moderne beroepsonderwijs is beoordelen geen solo-activiteit meer. Natuurlijk, de docent is wettelijk verantwoordelijk voor het beoordelen van de student. Maar met het oog op de betrouwbaarheid is het beter om meerdere beoordelaars in te zetten. Gezien de belangrijke rol van het werkveld, valt allereerst te denken aan de praktijkopleider in het stagebedrijf. Maar ook klanten of patiënten zijn mogelijk inzetbaar als beoordelaar. Ook is het belangrijk te investeren in de bekwaamheid van de beoordelaar. Doorgaans zijn docenten niet opgeleid als toetsontwerpers. Het is zinvol als opleiding een professionaliseringstraject in te richten om de bekwaamheid van docenten te vergroten.
Voor het leren van de studenten is het effectief om ook de studenten zelf te betrekken in het beoordelingsproces. Niet zo vreemd, hij is immers de enige is die zichzelf ‘meeneemt’ in het leertraject en zichzelf voortdurend kan ‘zien’. Omdat kennisbronnen en omgevingen zo wisselend zijn, zal hij in toenemende mate in staat moeten zijn het eigen leren te reguleren.
Studenten controle geven over de wijze waarop ze worden beoordeeld, wanneer en door wie, heeft positieve effecten. Zoals een meer actieve betrokkenheid en verantwoordelijkheid en hogere zelfregulatie. Dit kan vervolgens leiden tot een hogere motivatie en tot méér leren dan wanneer het beoordelen extern wordt aangestuurd.
 

Wanneer beoordelen? 

De functie van beoordelen (summatief, formatief of duurzaam) is bepalend voor het moment waarop dat gebeurt. Vanuit een summatief perspectief is beoordelen zinvol aan het begin van een leerpad (Is de student geschikt voor de opleiding? Wat is zijn voorkennis?), tijdens het leerproces (Boekt de student voldoende voortgang op de beoogde beoordelingscriteria? Is de student klaar voor een volgend niveau?) en aan het einde van een leertraject (Wat wordt de vervolgopleiding? Is de student klaar voor het beroep?).
Formatieve beoordelingen zijn vooral tijdens het leerproces van belang. Immers, zij bieden de studenten informatie over zijn of haar ontwikkeling en daarmee over te nemen vervolgstappen. Bij duurzaam beoordelen vallen leren en beoordelen als het ware samen en is sprake van een continu beoordelings- c.q. leerproces. Bij duurzaam beoordelen wordt in alle fasen van het leerproces informatie verzameld. Informatie die de student vooral ondersteunt in het zelf leren reguleren van zijn leren.
 

Kwaliteit van beoordelen

Wie controleert de controleur? Deze aloude vraag komt prominent om de hoek kijken als het gaat om de beoordeling van studenten in het beroepsonderwijs. De kwaliteit van beoordeling vereist borging. En dat is primair een taak van de onderwijsinstelling. Van groot belang is niet alleen naar de ‘losse’ toetsmoment te kijken, maar te kijken naar het toetsprogramma als geheel. Hoe hangen de verschillende toetsmomenten samen? Hoe dragen ze bij aan een belangrijke beslissing over de student? 
Relevante vragen bij het toezicht op beoordelingen zijn: Is er voldoende informatie verzameld over de student voor een betrouwbaar en valide oordeel? Anders gezegd: beoordeel je op basis van accurate informatie en beoordeel je wat je wilt beoordelen? Heeft de student voldoende laten zien dat hij ook na het verlaten van de school of opleiding het leerproces kan reguleren? Passen de beoordelingsvormen van de opleidingsinstelling bij de toekomstige beroepspraktijk? Zijn docenten voldoende onderlegd in kennis en kunde over beoordelen?
Een waardevol kader in dit opzicht biedt het artikel van Baartman, Bastiaens, Kirschner & Van der Vleuten (2006). Zij onderscheiden een reeks onderling samenhangende kwaliteitscriteria als vergelijkbaarheid, herhaalbaarheid, transparantie en acceptatie die kunnen helpen een beoordelingsprogramma te ontwikkelen dat inderdaad kan vaststellen of een student iets heeft geleerd.

Enkele deskundigen:


Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Door:   avanselmoskam@gmail.com  |  27-01-2017

Een hele mooie samenvatting wordt gegeven in dit korte artikel.
De vraag is wel : "Hoe ga je dit verankeren in de competenties van de leraar"
Ook het duurzaam leren zelfbeoordeling door de deelnemer/student, is van belang, maar hoe pak je dat aan in de dagelijkse schoolpraktijk!
Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN