ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

INSTRUCTEURS: VERZORGERS VAN DE PRAKTIJKCOMPONENT IN HET MBO

INSTRUCTEURS: VERZORGERS VAN DE PRAKTIJKCOMPONENT IN HET MBO

De kers op de taart van het mbo

Auteurs
Karel Kans, Expertisecentrum Beroepsonderwijs

september 2018

Wie een mbo-opleiding volgt, moet de fijne kneepjes van de beroepspraktijk in de vingers krijgen. Daarom werven scholen graag onderwijspersoneel met ruime ervaring in die beroepspraktijk. Veelal gaan deze zijinstromers aan de slag als instructeur. Wat doen ze precies en hoe zit het met hun bevoegdheid en bekwaamheid? Actuele vragen, want per 1 augustus 2018 gelden wettelijke bekwaamheidseisen voor instructeurs.
 

Ondersteuners van het mbo-onderwijs

Instructeurs maken deel uit van zeer diverse groep van medewerkers die het mbo-onderwijs ondersteunen. Medewerkers met een veelheid van functies en functiebenamingen. Met het Uitvoeringsbesluit Wet educatie beroepsonderwijs (U-WEB) in de hand, valt een driedeling te onderscheiden:
 
  1. Technisch onderwijsassistenten (TOA’s) of docentassistenten 
    Medewerkers in deze groep verrichten veelal zonder bevoegdheid en altijd onder verantwoordelijkheid van de docent assisterende werkzaamheden voor, tijdens en na de lessen. Werkzaamheden hebben veelal betrekking op het verzorgen van apparatuur, gereedschappen of ICT-middelen die in de lessen worden gebruikt (Brouwer, Lam, Thomsen & Van den Berg. 2016). 

  2. Medewerkers met een zorgfunctie 
    Het gaat hier om medewerkers die worden ingezet om studenten te begeleiden of te adviseren, zoals loopbaanadviseurs en psychologen. Werk in deze sfeer vindt overwegend plaats binnen uitvoerende ‘stafbureaus’, bijvoorbeeld servicecentrum voor deelnemers, stagebureau.  

  3. Instructeurs  
    Instructeurs begeleiden individuele of groepen studenten bij het praktijkgedeelte van het onderwijs. In tegenstelling tot ondersteuners met zorgfuncties, voeren zij werkzaamheden uit die direct gerelateerd zijn aan het primaire onderwijsproces. En maken om die reden veelal deel uit van onderwijsteams. Instructie vindt in principe plaats op een relatief smal gedefinieerd domein van de beroepsuitoefening. Aan instructeurs om studenten vertrouwd te maken met concrete beroepshandelingen. Maar daarnaast worden zij ook breder ingezet (Groenenberg & Visser, 2009). Via een PDG-traject (pedagogisch-didactisch getuigschrift) kunnen instructeurs soms als docent aan de slag.
 
We focussen verder op de instructeurs.
 

Wat doen instructeurs?

Instructeurs begeleiden individuele of groepen studenten bij het verwerven van beroepsvaardigheden. Hun inzet vindt dan ook plaats binnen het praktijkgedeelte van het onderwijs (Kans e.a., 2017). Tot de onderwijsactiviteiten behoren naast het geven van instructie ook het uitvoeren van (een reeks van) lessen, support van studenten (bijvoorbeeld bij het bouwen van een proefopstelling), en ondersteuning bij het beoordelen/examineren (SBB, 2017). 
 
Instructeurs doen hun werk meestal binnen de onderwijsinstelling. Bijvoorbeeld in leslokalen, of plaatsen waar de beroepspraktijk gesimuleerd wordt, zoals werkplaatsen. In principe vindt het werk van de instructeur niet plaats op de stageplek, want daar is de praktijkopleider van het stagebedrijf verantwoordelijk voor de begeleiding van de student. Als lid van het onderwijsteam neemt de instructeur deel aan teamvergaderingen en aan allerlei activiteiten van de opleiding, zoals het geven van voorlichting en het ontwikkelen van onderwijsmateriaal (Brouwer e.a., 2016; Kans e.a., 2017; SBB, 2017;). 
 

Instructeurs en assistenten

Hoe verhoudt de instructeursfunctie zich tot andere functies in het mbo? Zoals onderwijsassistenten, praktijkopleiders en docenten? Een vraag die we per functiegroep nader bekijken. Allereerst de onderwijsassistenten, die in het mbo als onderwijsondersteuner werkzaam zijn. Brouwer e.a. (2016) geven aan dat het moeilijk is beide groepen exact van elkaar te onderscheiden. Een redelijk helder criterium is de salarisschaal: tot en met schaal 6 gaat het overwegend om onderwijsassistenten, van schaal 7 tot en met 9 gaat het meer om instructeurs. 
 
Inhoudelijk bezien, beperkt de rol van de onderwijsassistent zich - zoals de functiebenaming al aangeeft - tot het assisteren van de docent. De onderwijsassistent helpt bij de organisatie van de lessen en zorgt voor bepaalde randvoorwaarden: het klaarzetten van proefopstellingen bijvoorbeeld of het beheren van praktijkruimten en materiaal. De instructeur daarentegen verzorgt zelfstandig delen van het onderwijs. Maar daarmee is nog niet alles gezegd. Want de onderwijsassistent begeleidt soms ook studenten bij opdrachten of assisteert de docent op dat gebied (Brouwer e.a., 2016). Daar ligt mogelijk een overlap met het werk van de instructeur. 
 

Verschil met praktijkopleiders

Niet alleen instructeurs hebben een taak in het aanleren van beroepsvaardigheden. Ook praktijkopleiders en werkbegeleiders op de stageplek van de student vervullen wat dat betreft een belangrijke rol. Praktijkopleiders zijn niet werkzaam bij de onderwijsinstelling, maar bij het stagebedrijf van de student. Om de rol van praktijkopleider te kunnen uitvoeren is een mbo-opleiding op niveau 4 vereist.
 
Het zou zo maar kunnen dat instructeurs en praktijkopleiders elkaar nooit treffen, terwijl zij wel in belangrijke mate een vergelijke rol hebben. Een gemiste kans, is dan de voor de hand liggende gedachte. Daarom worden bij het Drenthe College en de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden instructeurs en praktijkopleiders in de installatietechniek nadrukkelijk wél met elkaar in contact gebracht. Zo houden instructeurs hun praktijkkennis up-to-date, en kunnen praktijkopleiders zich professionaliseren in groepsdynamiek en de begeleiding van leerprocessen (Peijnenburg & Van der Meer, 2018). 
 

Verhouding tot docenten

Als lid van het onderwijsteam hebben instructeurs in hun beroepsuitoefening vooral te maken met docenten. Een belangrijk verschil tussen beide functies is dat het werk van de instructeurs zich voornamelijk afspeelt in de praktijkdelen van het onderwijs. Verder is een instructeur niet bevoegd om zelfstandig les te geven. Hij doet dat altijd onder verantwoordelijkheid van een docent of het onderwijsteam (o.a. Brouwer e.a., 2016; Kans e.a., 2017). Zo zijn kwalificerende toetsen het terrein van de docent, een instructeur speelt hierin hooguit een ondersteunende rol. Wat niet betekent dat het onderwijs ook onder toezicht van een docent plaatsvindt. Integendeel, het overgrote deel van de instructeurs werkt meestal zelfstandig. Het is aan het onderwijsteam om de rol van de docent daarbij goed te regelen.
 
Een derde onderscheid heeft te maken met de rol van de onderwijsondersteuner in de regulatieve cyclus: vijf fasen waarin het werk van onderwijsgevenden is in te delen. De werkzaamheden van de instructeur beslaan als regel de laatste drie van deze vijf fasen. Dat zijn het plannen, uitvoeren en evalueren van het eigen werk. Overkoepelende fasen die betrekking hebben op het geheel van het onderwijs (probleemstelling, diagnose) blijven het domein van de docent (Kans e.a., 2017). 
 

Waarom instructeurs?

De inzet van instructeurs past binnen het personeelsbeleid van mbo-instellingen rond functiedeling en, in het bijzonder, taakafsplitsing. Zo is het introduceren en creëren van functies die onder het niveau van leraar liggen al langere tijd gemeengoed (Groenenberg & Visser, 2011). Daar kunnen onderwijskundige redenen aan ten grondslag liggen: instructeurs inzetten om het praktijkgehalte van het onderwijs te verhogen. Door hen de praktische delen van het onderwijs te laten verzorgen en het praktijkdeel te laten onderhouden. Zodat dit inhoudelijk goed blijft aansluiten op de veranderende arbeidsmarkt. 
 
Daarnaast zijn er strategische afwegingen voor de inzet van onderwijsondersteuners in het algemeen, en instructeurs in het bijzonder. Die hebben te maken met de kosten van  personeel en de beschikbaarheid van onderwijspersoneel op de arbeidsmarkt. Door instructeurs aan te trekken kunnen docenten zich meer richten op hun kerntaken, zoals het ontwikkelen van lesmateriaal en de stagebegeleiding (Groenenberg & Visser, 2011). Zeker bij een krappe arbeidsmarkt vormt de inzet van instructeurs een oplossing om met de beschikbare hoeveelheid bevoegd personeel toch het gevraagde onderwijs te verzorgen. 
 
Bovendien is er de mogelijkheid dat instructeurs, personen met een mbo-opleidingsachtergrond of zijinstromers, via verdere scholing – op hbo-niveau - doorgroeien naar het niveau van docent (Groenenberg & Visser, 2011). 
De personeelskosten van functies onder die van docent zijn lager, dus ook financiële overwegingen kunnen een rol spelen. Dat betekent nog niet dat mbo-instellingen die instructeursfuncties an sich creëren daar altijd een financiële reden voor hebben. Het gaat dan meer om de mate waarin instructeurs worden ingezet. Er zijn signalen dat dit in toenemende mate gebeurt, onder meer mbo-niveau 4-opleidingen (Peijnenburg & Van der Meer, 2018). 
 

Aandeel van instructeurs in onderwijs

Betekent het lerarentekort, zoals dat al enige tijd wordt ervaren, dat mbo-instellingen steeds meer onderwijsondersteuners inzetten? Krijgen mbo-studenten steeds vaker les van instructeurs? Een vraag die zich lastig laat beantwoorden. Want exacte cijfers ontbreken. Een grove schatting op basis van eerdere onderzoeken (Brouwer e.a., 2016; Groenenberg & Visser, 2011)  geeft aan dat gemiddeld ongeveer 7% van het onderwijs door instructeurs wordt verzorgd.  
 
Klik hier voor een onderbouwing van deze schatting. 
 
Genoemd percentage is een momentopname. En er zijn grote verschillen tussen sectoren en onderwijsteams. Of het onderwijsaandeel van instructeurs over de hele linie toeneemt, weten we niet. Daar zijn geen aanwijzingen voor. Beschikbare cijfers maken veelal geen onderscheid tussen instructeurs en ander onderwijsondersteunend personeel. Het totale aandeel van onderwijsondersteuners in het mbo is door de jaren heen echter vrij stabiel.
 
Een instructeursaandeel van gemiddeld 7% lijkt niet veel. Maar, zoals we eerder hebben gezien, gaat het wel om een belangrijk deel van het mbo-onderwijs, namelijk het begeleiden van studenten bij de ontwikkeling van beroepsvaardigheden. In die zin vormen instructeurs en hun onderwijsactiviteiten ‘de kers op de taart’ van het mbo. En de aandacht voor de kwaliteit van dit deel van het onderwijs is dan ook zeer begrijpelijk.  
 

Bekwaamheidseisen voor onderwijsondersteunend personeel

Goede kwaliteit van onderwijsondersteunende medewerkers draagt bij aan de kwaliteit van het onderwijs als geheel. In de Wet BIO (Beroepen in het Onderwijs), die in 2006 in werking trad, zijn afspraken gemaakt over het onderhoud van de bekwaamheid van onderwijspersoneel, onderwijsondersteuners daarbij inbegrepen.
 
Het opstellen van de bekwaamheidseisen voor deze groep is opnieuw bekrachtigd in het Nationaal Onderwijsakkoord van 2013. Citaat: “Instructeurs en onderwijsassistenten dienen aantoonbaar te beschikken over pedagogisch-didactische vaardigheden en deze op peil te houden. (…) Als instructeurs aan de kwalificatie-eisen (kunnen) voldoen zullen zij ook in een aparte ‘kamer’ in het register opgenomen worden.”
 
Daarom is de beroepsgroep van onderwijsondersteuners in het mbo gevraagd een voorstel voor de bekwaamheidseisen op te stellen. Deze hebben betrekking op medewerkers die taken verrichten die het primair onderwijsproces ondersteunen. Dit in afstemming met het onderwijsteam en onder verantwoordelijkheid van een docent. Deze werkzaamheden worden in het mbo overwegend, maar niet uitsluitend, uitgevoerd door instructeurs. 
 
De geformuleerde bekwaamheidseisen zijn gebaseerd op die voor de leraar (Onderwijscoöperatie, 2014). Op die manier krijgt een doorlopende leerlijn van instructeur naar docent nog weer verder gestalte. Wat moet een instructeur kennen en kunnen? In de eerste plaats gaat het om een aantal algemene bekwaamheidseisen, uitgewerkt in eisen aan gedrag en eisen aan kennis. Daarnaast zijn bekwaamheidseisen op vakinhoudelijk, vakdidactisch en pedagogisch gebied uitgewerkt. Het minimale niveau voor de instructeur is vastgesteld op niveau 4 (Kans e.a., 2017). 
 
Per 1 augustus 2018 gelden de bekwaamheidseisen als wettelijk minimum voor instructeurs in het mbo. De eisen zijn daarmee richtinggevend voor de opleidingen voor onderwijsondersteunend personeel. Ook leggen zij het niveau vast dat mag worden verwacht van zijinstromers en geven ze houvast bij het onderhoud van bekwaamheid. 
 

Duidelijke positionering van instructeurs

De bekwaamheidseisen, zo stelt ook het ministerie van OCW, kunnen bijdragen aan een duidelijke positionering van onderwijsondersteunende werkzaamheden in het mbo ten opzichte van de werkzaamheden van de docent. Ook wordt duidelijker wat de mogelijkheden zijn voor instructeurs die willen doorgroeien naar een docentfunctie. Om de professionalisering van de instructeurs te ondersteunen wordt al enige tijd gepleit voor een instructeursbeurs (o.a. Broek & Buiskool, 2017).
 
Op basis van het Voorstel bekwaamheidseisen onderwijsondersteunend personeel in het mbo heeft SBB het kwalificatiedossier Instructeur mbo ontwikkeld (SBB, 2017). Het daarop gebaseerde diploma geeft toegang tot een functie als instructeur in het mbo, en recht op doorstroom naar het hbo, bijvoorbeeld naar een lerarenopleiding. De Vereniging Hogescholen en MBO Raad willen meer samenwerken in het opleiden van instructeurs. Verschillende bekostigde en particuliere mbo-instellingen zijn inmiddels gestart met het aanbieden van een opleiding tot instructeur in het mbo. Waarmee de kers-op-de-taartfunctie van de instructeur naar de toekomst toe stevig geborgd lijkt.  
 

Enkele deskundigen:


Anniek van Anraad, secretaris Beroepsvereniging Opleiders MBO (BVMBO) 
Nicky Jansen, coördinator Professionalisering Beroepsonderwijs, Fontys Hogescholen 
René Immers, beleidsadviseur Bedrijfstakgroep Zorg, Welzijn en Sport (BTG ZWS), MBO Raad 
Neeske Bouwknegt, onderwijskundig adviseur Kwalificeren en Examineren, Samenwerkingsorganisatie Beroepsodnerwijs Bedrijfsleven (SBB) 

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN