ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

TRANSITIE VAN MBO NAAR HBO

TRANSITIE VAN MBO NAAR HBO

‘Weerbaar en wendbaar’ als succesfactor

Auteurs
dr. Jeany van Beelen-Slijper, Hogeschool Inholland 

mei 2018

Rond 40% van de mbo-studenten van niveau 4 kiest na diplomering voor doorstuderen in het hbo. Een overgang die voor menigeen problemen oplevert. Het percentage uitvallers in het eerste jaar is aanzienlijk. Hoe komt dat, waar liggen de struikelblokken en: wat te doen om die transitie soepeler te laten verlopen? Zijn mbo’ers wel ‘weerbaar en wendbaar’ genoeg voor het hbo?  
 

Startende mbo’ers in het hbo 

Met een hbo-diploma verbeter je je kansen op de arbeidsmarkt. Vanuit die overtuiging kiezen veel afgestudeerde mbo’ers voor een vervolgopleiding in het hbo. Maar liefst 40 procent van de mbo 4-studenten deed dat de afgelopen jaren (Mulder e.a., 2016). Jammer genoeg loopt dat nogal eens uit op een teleurstelling. Minder dan de helft van de studenten die zich inschrijven in het hbo slaagt erin om binnen vijf jaar een diploma op zak te krijgen. Ongeacht de genoten vooropleiding. Maar mbo’ers springen eruit: het percentage uitvallers in het eerste studiejaar is bij mbo’ers beduidend hoger dan bij havisten (22,4% bij mbo’ers t.o.v. 12,1% bij de havisten volgens de Factsheet Uitval en Rendement van de Vereniging Hogescholen, 2016. Zie ook: Warps, 2012; Ellfers, 2016.).
 
Ook vanuit de politiek hecht men belang aan een betere doorstroom van mbo naar hbo. Daarom reserveerde in 2016 voormalig minister Bussemaker van Onderwijs 11 miljoen euro om de doorstroom vanuit het mbo naar het hbo te verbeteren. Maar wat zou er dan moeten gebeuren? De strategische visie van de Vereniging Hogescholen voor 2025 geeft aan dat een toekomstige hbo’er weerbaar en wendbaar moet zijn. Ligt daar dan wellicht de sleutel, is dat de succesfactor voor mbo’ers? 
 
Gezien de uitvalpercentages in het eerste hbo-jaar rijst de vraag in hoeverre mbo’ers voldoende in staat zijn ‘mee te bewegen’ in het hbo. En ook of ze voldoende weerbaar zijn als het gaat om de veranderingen waarmee ze in het hbo te maken krijgen. Hoe kunnen mbo en hbo de handen ineenslaan om de overgang van mbo naar hbo te versoepelen? Niet onbelangrijk daarbij: waar hebben mbo’ers zélf behoefte aan? Waar krijgen zij bij hun start op het hbo mee te maken? Om deze vragen te beantwoorden is het van belang inzicht te krijgen in het achterliggende proces van de kiezende mbo’er. 
 
Het promotieonderzoek En wat kan ik dan later worden? (Slijper, 2017) brengt concreet in kaart waar mbo’ers tegenaan lopen bij de transitie van mbo naar hbo. Op basis van dit onderzoek gaat dit lemma in op de transitie van mbo naar hbo en reflecteert achtereenvolgens op:  
de rol van het beroepsbeeld in het studiekeuzeproces;
verwante en niet-verwante doorstroom;
struikelblokken waar mbo’ers tegenaan lopen in het hbo;
inrichting van aansluittrajecten. 
 

Studiekeuze en de rol van het beroepsbeeld 

Door stage-ervaringen heeft een mbo’er bij binnenkomst in het hbo al vaak een redelijk uitgewerkt beroepsbeeld. Het latere beroep speelt een belangrijke rol bij het maken van een studiekeuze, zo blijkt uit recent onderzoek (Slijper, 2017). Niet alleen is het beroepsbeeld sterk bepalend in het keuzeproces, het is ook van invloed op de verdere studievoortgang. 
 
Voor dit onderzoek naar studiekeuzeproces en -voortgang werden 89 juridische hbo-studenten voorafgaand, halverwege en aan het einde van het eerste studiejaar geïnterviewd. Het toekomstige beroep kwam bijna altijd ter sprake in deze interviews. Ervaringen op de stageplek gaven vaak aanleiding om door te studeren in het hbo. “Ik was op mijn stage bij de IND alleen maar juridisch medewerker, ik mocht alleen maar eenvoudige dingen doen” of “Ik wil degene zijn die de handtekening zet, en niet alleen het voorbereidende werk doet”.

De focus op het latere beroep kan dermate sterk zijn dat dit ten koste gaat van een goede oriëntatie op de studie zelf. “Ik heb nooit inhoudelijk gekeken naar HBO-Rechten maar meer naar wat je ermee kon worden.” Soortgelijke uitspraken waren in het onderzoek geen uitzondering.  Maar hoe belangrijk is het eigenlijk voor zowel studiekeuze als studievoortgang dat een jongere dat latere beroep zo zwaar laat meewegen in de studiekeuze? En heeft hij wel een juist beeld van dat latere beroep? Een belangrijke conclusie uit het onderzoek van Slijper is dat studenten bij wie het toekomstige beroep leidend was bij de studiekeuze, significant meer uitvielen.

Tevens kan in twijfel worden getrokken in hoeverre het latere beroep daadwerkelijk relevant is op het moment dat een jongere kiest. Niet alleen is een adolescent nog lang niet aan het eind van zijn identiteitsontwikkeling. Hij blijkt ook een veelal abstract en onbereflecteerd beeld te hebben van dat latere beroep. Afgezien daarvan ontwikkelt de arbeidsmarkt zich razendsnel onder invloed van digitalisering en robotisering. Het klassieke beroepsbeeld dat veel mensen van een beroep hebben, blijkt daardoor op termijn niet (meer) te kloppen (Biemans e.a., 2017).  

Verwante en niet-verwante doorstroom

Er is veel te doen over het al dan niet verwant doorstromen van mbo’ers. De Wet Kwaliteit in verscheidenheid (2013) heeft geleid tot een aangescherpte regelgeving voor de doorstroom mbo-hbo. Sommige doorstuderende mbo’ers krijgen te maken met dit verscherpte toelatingsbeleid en hebben niet langer automatisch toegang tot de opleiding van hun keuze. De doorgangsroute lijkt hiermee voor mbo’ers  te worden beperkt, al lijkt het niet om enorme aantallen te gaan (Herweijer & Turkenburg, 2016). 
 
Echter, is deze focus op de ‘doorlopende leerlijn’ wel terecht? Want lang niet alle mbo’ers kiezen voor een vervolgopleiding in het verlengde van hun mbo-studie. Daar kunnen goede redenen voor zijn. En in hoeverre doen de mbo’ers die niet-verwant kiezen het slechter dan degenen die wel verwant doorstromen? Hogescholen die de nieuwe richtlijnen niet toepassen zien dat niet-verwante doorstromers gemiddeld genomen niet slechter scoren dan verwante doorstromers (Herweijer & Turkenburg, 2016). In het onderzoek van Herweijer en Turkenburg komt naar voren dat een hogeschool de ‘nieuwe’ maatregelen over verwante doorstroom niet toepast omdat op hun instelling de niet-verwante doorstromers gemiddeld genomen niet slechter scoren dan de verwante doorstromers.
 
De resultaten uit het onderzoek van Slijper (2017) laten evenmin zien dat mbo’ers met een niet-verwante mbo-vooropleiding minder studiesucces hebben dan mbo’ers met een juridische vooropleiding. Zij lijken juist beter te hebben nagedacht over wat passend voor hen is, omdat ze de vergelijking konden maken met hun voltooide mbo-opleiding: “Mijn vooropleiding is mbo-sport en bewegen. Ik praat veel over mijn studiekeuze met een klasgenoot die mbo-dieren heeft gedaan. Want de meeste mensen snappen mijn overstap niet. Maar op een gegeven moment heb je de leeftijd om keuzes te maken."
 
Uit het onderzoek van Slijper (2017) volgt dat het onverstandig zou zijn - gezien de identiteitsontwikkeling die jongeren doormaken – om bij voorbaat de doorgangsroute voor mbo’ers te beperken. Een jongere die een bepaalde mbo-opleiding kiest op z’n zestiende weet vaak nog niet weet wat dit betekent. Daarom - zo blijkt uit de praktijk – kiest hij graag ‘breed’, zodat alle opties openblijven. Het zou goed zijn aankomende hbo-studenten de mogelijkheid te (blijven) bieden gemaakte keuzes te heroverwegen en te kunnen afwijken van een eerder ingeslagen richting op het mbo.  
 

Struikelblokken voor mbo’ers in het hbo

Veel mbo’ers kijken op tegen het hbo (Slijper, 2017). Soms zijn ze ook al ‘gewaarschuwd’ voor het niveauverschil tussen mbo en hbo. Hebben ze eenmaal een start gemaakt op de vervolgopleiding, dan blijken mbo’ ers vaak moeite te hebben met het zelfstandige werken dat het hbo-onderwijssysteem vraagt. Het ontbreekt hen bijvoorbeeld aan voldoende planningsvaardigheden. ”Ik had niet verwacht, met het tentamen bijvoorbeeld, dat je tien weken les krijgt en opeens zoveel stof moest leren”.  
 
Daarnaast ervaren mbo’ers het werken met boeken als lastig: ze waren meer gewend te werken met de computer en portfolio’s. ”Het is wel moeilijk qua leren, omdat je eigenlijk een heel boek krijgt om te leren. En bij mij gaat het gewoon een stuk makkelijker en leert het beter als het wat concreter wordt gemaakt dan dat ik een boek krijg en alles moet weten.” Ook wordt de manier van tentamineren in het hbo als lastig ervaren. Studenten gaven in de interviews aan dat het om meer gaat dan het letterlijk reproduceren van de leerstof, zoals dat in hun ervaring in het mbo vaak het geval is. “Ik kan gewoon niet uitdrukken hoe erg ik mijn best heb gedaan. Ik heb de sheets erbij gepakt, ik heb mijn boeken erbij gepakt, ik heb samenvattingen gemaakt, en dan haal ik gewoon een 4,5.”  
 
Ten slotte realiseren mbo’ers zich pas laat in het eerste hbo-studiejaar wat de norm van het bindend studieadvies (bsa) inhoudt. “Ik wist niet wat ik kon verwachten, over tentamens. Dat is voor mij allemaal nieuw natuurlijk. Nou heb ik helaas wel twee onvoldoendes gehaald. Voor de bsa-vakken(*) nog wel. Daar was ik eerst niet van bewust”. Een betere voorbereiding op hbo-vakken en meer kennis van de benodigde hbo-vaardigheden zijn ook aanbevelingen die studenten van de zogenoemde ‘studentlabs’ geven. Het gaat daarbij om een project, gefinancierd door het ministerie van OCW. Schoolbestuurders konden samen met 250 voormalige mbo-studenten aan de slag met plannen om de overstap van mbo naar het hbo te verbeteren. Dit resulteerde in 29 voorstellen om de aansluiting te verbeteren (StudentLab, 2016). 
 

Inrichting van aansluittrajecten

Er gebeurt al veel op het gebied van aansluittrajecten. Wat is belangrijk voor een goede transitie van mbo naar hbo? In de eerste plaats dat aansluittrajecten zodanig zijn ingericht dat mbo’ers voldoende exploratiemogelijkheden krijgen om tot een goede studiekeuze te komen. Exploratie in dit verband staat voor de mate waarin een student onderzoekt: wie ben ik, wat wil ik, wat kan ik en alternatieven afweegt (Germeijs & Verschueren, 2007; Slijper, 2017). Daarnaast is het van belang dat ‘aansluittrajecten’ aandacht schenken aan het andere studieklimaat in het hbo. Een bewuste studiekeuze en een grondige voorbereiding op het hbo vragen om meer tijd en aandacht dan een gemiddelde open dag kan bieden, zo blijkt ook uit het Hbo-ervaringsproject dat voortkwam uit de studentlabs (2017). Op basis van het onderzoek van Slijper (2017) is het advies aansluittrajecten of keuzedelen in het laatste schooljaar van het mbo in te richten met opleidingsspecifieke vakken, zodat mbo’ers kunnen ervaren dat de hoeveelheid stof en de aangeboden vakken anders zijn dan in het mbo en kunnen kennismaken met de benodigde hbo-competenties. In de herziene kwalificatiestructuur van het mbo is sprake van keuzedelen die respectievelijk verdiepend, verbredend, remediërend of vooral op de doorstroom naar het hbo zijn ingericht. 
 
Het Keuzedeel Doorstroom Hbo richt zich specifiek op een betere voorbereiding van de mbo’ers die willen doorstuderen in het hbo. Met de ‘Rotterdamse Aanpak’ hebben roc’s en hogescholen in de regio Rotterdam de handen ineengeslagen om invulling te geven aan dit Keuzedeel Doorstroom Hbo ten behoeve van het economische domein. Het accent ligt hier op het ontwikkelen van hbo-vaardigheden, en tegelijk op het verzwaren van inhoudelijke kennis. 
 
Dergelijke doorstroomtrajecten zijn gebaat bij een intensieve samenwerking tussen mbo en hbo. Vanuit de dagelijkse hbo-praktijk, als ook op grond van Mulder e.a. (2016), blijkt dat dit soort trajecten veelal op opleidingsniveau geïnitieerd worden, het meest logische niveau. Docenten weten immers wat er speelt en korte lijnen blijken vaak goed te werken. Echter, deze opzet brengt ook een kwetsbaarheid met zich mee omdat ze vaak de verankering binnen de instelling missen. 
 

Conclusies

Veel mbo’ers blijken onvoldoende ‘weerbaar en wendbaar’ waar het gaat om de transitie van mbo naar hbo. Er ligt vaak een (te) grote focus bij de studiekeuze op het latere beroep en dat is niet verstandig. Het is begrijpelijk dat een kiezende jongere zich bezighoudt met ‘wat kan ik dan later worden’. Het is echter aan te bevelen bij oriëntatieactiviteiten eerder het accent te leggen op beroepscontexten of beroepstaken in plaats van op het beroep zelf of kansen op werk in die beroepssector op de arbeidsmarkt. 
 
Bij aansluittrajecten moeten vooral accent liggen op een stukje inhoud van te kiezen opleiding. Daarbij moet er aandacht zijn voor de vaardigheden die een mbo’er nodig heeft om te kunnen doorstuderen in het hbo. Mbo’ers blijken meer moeite te hebben met de andere lesdidactiek in het hbo, de complexiteit en het abstractieniveau van de leerstof. Ook hebben ze veelal onvoldoende planningsvaardigheden. Met name het keuzedeel Doorstroom Hbo biedt een prachtige kans om aansluittrajecten te borgen, zowel van overheidswege als beleidsmatig bij de instellingen. Dergelijke doorstroomtrajecten kunnen bijdragen aan weerbare en wendbare mbo’ers bij de overstap van mbo naar hbo. 
 
* Bsa staat voor bindend studieadvies, bepalend aan het einde van het eerste jaar voor doorstroom naar jaar 2.
 

Enkele deskundigen:


Dr. Louise Elffers, lector Beroepsonderwijs Hogeschool van Amsterdam en universitair docent Onderwijskunde, Universiteit van Amsterdam
Dr. Cees Terlouw, emeritus lector Instroommanagement en Aansluiting mbo/havo - hbo Saxion Hogeschool 
 

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN