ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

VAKMANSCHAP IN HET MBO

VAKMANSCHAP IN HET MBO

Vaklieden in soorten en maten

Auteurs
Anneke Westerhuis en Hester Smulders, Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo) 

februari 2018

Middelbaar beroepsonderwijs leidt vakmensen op. Maar wat wordt daar precies mee bedoeld? Wat is dat, vakmanschap? Waaraan zie je dat iemand vakman (of vakvrouw) is? En, essentieel voor de inhoud van opleidingen: welk vakmanschap is nodig voor de arbeidsmarkt van morgen? Vragen genoeg. Op zoek naar de essenties van vakmanschap.

 

Het belang van een scherp vakmanschapsprofiel

 
In Nederland woedt al jaren een discussie over de inrichting van het beroepsonderwijs. Het opleidingsniveau van jongeren wordt steeds bepalender voor een plek op de arbeidsmarkt. De druk om een opleiding op een zo hoog mogelijk niveau te volgen, neemt toe. Hoe kan, in dit krachtenveld, het mbo jongeren een aantrekkelijk toekomstperspectief bieden? Geeft een scherp vakmanschapsprofiel het mbo een eigen gezicht dat jongeren én de arbeidsmarkt aanspreekt? En welk profiel is dat dan? 
In recent onderzoek (Buisman & Van der Velden, 2017) van een consortium bestaande uit ROA, AISSR, Kohnstamm Instituut en ecbo is gezocht naar antwoorden op dit soort prangende vragen. Naar de toekomst van vakmanschap, eenvoudig gezegd. Dat is gebeurd in opdracht van de Programmaraad Beleidsgericht Onderzoek van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). Er blijken verschillende definities van vakmanschap in omloop. En die passen ieder op een eigen manier in het aloude spanningsveld waar het mbo mee te maken heeft: een goede entree bieden op de arbeidsmarkt, op de korte termijn dus, en opleiden voor duurzame inzetbaarheid in een veranderende context. 
 

Vakmanschap in het onderwijsbeleid

Dat de gedachten over vakmanschap uiteenlopen, is niet eens zo vreemd. Immers, het middelbaar beroepsonderwijs heeft te maken met twee tegengestelde bewegingen. De eerste is om standaarden en eindtermen over te nemen waarmee het zich conformeert aan het onderwijsstelsel: centrale examinering, aansluiting op vervolgonderwijs en invoering van referentieniveaus voor taal en rekenen. Ertegenover staat dat beroepsopleidingen zich specialiseren, in directe aansluiting op de vraag van werkgevers (‘responsief beroepsonderwijs’). 
Om die reden leven er meerdere beelden van de toekomst van het beroepsonderwijs. In de beleidsnota Ruim baan voor vakmanschap (OCW, 2014) is dat goed te zien. Enerzijds wijst die op de noodzaak talenten breed te ontwikkelen en het belang van flexibiliteit. Voorwaarden om in een veranderende arbeidsmarkt te kunnen functioneren. Van brede opleidingen en 21ste-eeuwse vaardigheden wordt verwacht dat deze de overstap naar andere functies makkelijker maken en toegang geven tot posities die een generiek denk- en handelingsniveau vragen, aldus de nota. Anderzijds wordt, voor het op peil houden van de innovatiekracht van de economie, het belang van specialistische vakmensen benadrukt. Daarnaast vraagt de nota aandacht voor de vakmanschaps- en technologieroute voor studenten met  een uitgesproken beroepsoriëntatie. Het kunnen volgen van die oriëntatie motiveert deze jongeren en vergemakkelijkt de overgang naar de arbeidsmarkt.  
 

Vakmanschapsdefinities nader bekeken

Het begrip vakmanschap heeft binnen elk van deze twee benaderingen van beroepsonderwijs (breed versus specialistisch) een eigen inhoud. Maar toch zijn in de omschrijvingen gemeenschappelijke kenmerken terug te vinden (Petit & Rozer, 2017). Op verschillend vlak:
  • Beroepsspecifieke kenmerken: vakmanschap heeft betrekking op een combinatie van hoofd- en handwerk. Werk moet een bepaalde moeilijkheidsgraad en complexiteit hebben en een kennisbasis vragen: kennis van materialen, technieken en van de context. Voor de uitoefening is dus scholing of training nodig én jaren van ervaring om uiteindelijk het beroep in al zijn nuances te kunnen uitoefenen. Een groot deel van de kennis is tacit knowledge: kennis die niet, of moeilijk, in woorden is te vatten. Deze kennis wordt al doende op de werkplek van een ervaren vakman geleerd. Naast vakkennis zijn een aantal algemene vaardigheden cruciaal voor vakmanschap: probleemoplossend vermogen, zelfstandigheid en het overzien van complexe situaties om daarin te handelen. Creativiteit en werken in een team worden eveneens vaak als kenmerkend voor  vakmanschap genoemd. Met deze omschrijving vallen taken rond geautomatiseerde processen die geen denkwerk of het nemen van beslissingen vragen, buiten de definitie van vakmanschap. 
  • Persoonsgebonden kenmerken: het willen leveren van kwaliteit en bedrevenheid in de uitoefening van het vak. Vakmanschap wordt op deze manier bekeken geassocieerd met passie, plezier, bevlogenheid en motivatie. En met het vermogen tot het aanpassen aan veranderingen, klantgerichtheid, geduld, commitment en ondernemerschap. Een met vakmanschap geassocieerde houding is (beroeps)trots.
  • Sectorgebonden kenmerken: in de dienstverlenende sector wordt de nadruk gelegd op sociale vaardigheden, in de technische sector op materiaalgevoel en technisch inzicht. 
 
Aan de hand van al deze vaardigheden kun je beginnende en ervaren beroepsbeoefenaren onderscheiden én beroepen onderling; elk beroep vraagt een andere vorm van technisch inzicht. Deels zijn de accentverschillen terug te voeren op het gehanteerde perspectief. In het onderwijs is het criterium voor vakmanschap het bezit van (theoretische en praktische) basiskennis die de beroepsuitoefening vraagt. Op de arbeidsmarkt onderscheidt vakmanschap de betere en ervaren vaklieden van de anderen. 
 

Drie typen vakmanschap

Los van overeenkomsten zijn er ook verschillen in de omschrijvingen van vakmanschap. Grofweg kunnen de verschillen tot twee dimensies worden gebundeld:
  1. van smal tot breed vakmanschap; 
  2. van routinematig tot complexe vormen van vakmanschap. 
 
Dat levert een typologie van vaklieden op 
Bron: Buisman & van der Velden (2017). De toekomst van vakmanschap. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.
 
Een smallere vakman heeft zich gespecialiseerd in één of enkele taken en is daarom alleen binnen een beperkt aantal gebieden inzetbaar. De bredere vakman is geschoold in een variëteit aan taken, overziet een groter deel van het vakgebied en is daardoor breed inzetbaar. De mate van routinematigheid is een indicatie van de autonomie van een werkende, van de hoeveelheid variatie in het werk zit en de mate van aandacht die het werk vraagt. 
Kortom, er is niet één type vakmanschap. Maar er zijn er ook geen tientallen. Aan de hand van de beide dimensies kunnen we drie basistypen vakmanschap onderscheiden. Veel autonomie, variatie en aandacht gaat zowel samen met een brede focus (breed vakmanschap) als met een smallere focus (specialistisch vakmanschap). Een smalle focus in combinatie met meer routinematigheid in het werk typeren we als praktisch vakmanschap.
Beroepsuitoefening in de vorm van een breed pakket routinematige taken valt buiten de definitie van vakmanschap. Vakmanschap vereist het - in zekere mate - uitvoeren van complexe of specialistische taken. Als deze elementen ontbreken is er geen sprake van vakmanschap.
 

Vakmanschap binnen het mbo

Ook in het beroepsonderwijs zelf zijn de verschillende typen vakmanschap terug te vinden. Het mbo leidt op voor elk ervan. Oók voor de beroepsuitoefening die buiten de definitie van vakmanschap valt. Hoewel typen vakmanschap niet exclusief aan mbo-niveaus zijn verbonden, is er wel een trend. De meeste leerlingen op niveau 1 en 2 worden op praktisch vakmanschap voorbereid, hoewel op deze niveaus de grootste groep niet op vakmanschap wordt voorbereid, maar op brede en routinematige beroepsuitoefening. Niveau 3 en 4 leiden op voor zowel breed als specialistisch vakmanschap. Voorbereiding op breed vakmanschap vindt vooral op niveau 4 plaats. In specialistisch vakmanschap wordt zowel op niveau 3 als 4 opgeleid.
Klik hier voor een nadere analyse van typen vakmanschap en mbo-niveaus.
 

Baankansen voor vaklieden

Kijkend naar baankansen hebben praktisch en specialistisch opgeleide mbo’ers een grote  baanzekerheid aan het begin van hun carrière (Rozer & Bol, 2017). Specialistisch vakmanschap heeft daarnaast een hoge beroepsstatus; aantrekkelijk werk met een hoger salaris. Gemiddeld is de status van praktische vakmensen, die vaker routinematig werk doen, lager. Breed opgeleide mbo’ers vinden minder makkelijk een baan, maar daar staat een relatief hoge beroepsstatus tegenover. 
In het vervolg van de loopbaan neemt voor smal opgeleiden de kans op werk af. Toch hebben breed opgeleide mbo’ers op geen enkel moment in hun carrière een grotere kans op werk dan smal opgeleiden. De beroepsstatus verandert wel. Het gat in beroepsstatus tussen breed en smal opgeleiden groeit omdat loopbanen van smal opgeleiden weinig opwaarts mobiel zijn. Dit is vooral een probleem voor praktische vakmensen: ze zitten vast in de minst aantrekkelijke beroepen. 
Er is dus geen bewijs dat het belang van brede mbo-opleidingen toeneemt: specialistisch opgeleide vakmensen hebben de beste baankansen en aantrekkelijk werk. Breed opgeleide vakmensen komen op de tweede plaats, vooral omdat ze mindere baankansen hebben aan het begin van hun loopbaan. Een goede aansluiting tussen mbo-opleiding en het werkveld loont. Maar bovenal: met een specialistische opleiding heb je een streepje voor, in het begin van de loopbaan én in het vervolg. 
 

De link tussen opleiding en beroep

Blijft dat zo? Zorgelijk is dat in het mbo de link tussen opleiding en beroep in de laatste decennia zwakker is geworden. In tegenstelling tot hbo- en wo-afgestudeerden komen mbo’ers in een steeds bredere waaier beroepen terecht. Dat is een nadeel: een zwakke aansluiting is ongunstig voor de inkomenspositie van schoolverlaters. Hoe zwakker de link tussen opleiding en baan, hoe lager het salaris. Dat geldt vooral voor degenen met een commerciële of managementopleiding. Vooral zij komen vaker in een diversiteit aan beroepen terecht. 
Dit is een lastig punt voor het mbo. De verhouding tussen beroepsopleiding en beroepsuitoefening is niet stabiel.  Belangrijk is dat beroepsopleidingen zich in samenhang met veranderingen in de beroepspraktijk ontwikkelen en onderwijs- en arbeidsmarktpartijen het gesprek over de betekenis van die ontwikkelingen samen voeren.  Kortom: uitdagingen van formaat voor het mbo. 
 

Enkele deskundigen:


Prof. dr. Rolf van der Velden , hoogleraar Maastricht University, directeur Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
Drs. Marieke Buisman, onderzoeker Kohnstamm Instituut
Drs. Anneke Westerhuis, managing onderzoeker Expertisecentrum Beroepsonderwijs

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN