ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN IN HET MBO

VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN IN HET MBO

Peer support voor risicojongeren

Auteurs
Marieke Fix, docent/onderzoeker bij Landstede MBO

juli 2017

De laatste jaren tekent zich een positieve trend af, maar voortijdig schoolverlaten blijft een probleem van formaat binnen het mbo. Nog altijd weten grote aantallen jongeren (22.000 in 2016) hun opleiding niet met een diploma af te ronden. Wat kunnen scholen doen om de uitvalcijfers verder omlaag te krijgen? Een nog weinig bewandelde weg is peer support: risicojongeren die elkaar bij de hand nemen en ‘bij de les houden’.
 

Oorzaken van uitval


Om tal van redenen kunnen jongeren hun mbo-opleiding voortijdig de rug toekeren. Dat wil zeggen: zonder een diploma te hebben gehaald. Sommige oorzaken liggen buiten de invloed van de school, zoals de thuissituatie (14% van de totale uitval) en ziekte (18%). Deze cijfers komen uit onderzoek van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA, Allen & Meng, 2010). Andere oorzaken, zo blijkt uit hun research, zijn echter wel degelijk beïnvloedbaar door de school: een verkeerde opleidingskeuze (21%) bijvoorbeeld. Of problemen met docenten of praktijkopleiders (9%).

Het eerste mbo-jaar levert het meeste risico op. Relatief veel jongeren verlaten dan al de opleiding (Min. OCW, 2017 ; CBS, 2016). Maar ook de jaren erna is er uitval. Om wat voor jongeren gaat het? Welke categorieën lopen de meeste kans buitenspel te raken? Dat risico, zo leert onderzoek, kun je zien als een optelsom van karakteristieken van de student, zoals gezondheid, cognitie, schoolprestatie of woonsituatie. Hoe meer factoren er (negatief) meespelen, hoe groter de kans op uitval (Rumberger, 2001).

De literatuur onderscheidt drie verschillende categorieën factoren (Lee & Burkham, 2003; Theunissen, 2016). Deze zijn gerelateerd aan respectievelijk:
•    De persoon en het gedrag. Het risico om uit te vallen is bijvoorbeeld groter als de student weinig zelfvertrouwen heeft, nauwelijks betrokkenheid voelt bij de school of verslavingsproblemen heeft (Theunissen, Bosma, Verdonk & Feron, 2015; Theunissen, 2016).
•    De achtergrond van de student. Het wonen in een achterstandsbuurt geeft meer risico om uit te vallen, evenals het opgroeien bij laagopgeleide ouders of in een familie met financiële problemen of een niet-westerse achtergrond (Peguero, Merrin, Hong & Johnson, 2016; Traag & Van der Velden, 2011).  
•    De school van de student. In deze categorie factoren vallen de schoolorganisatie, de discipline op school en de doorlopende leerlijn van het vmbo naar het mbo. Maar ook de voorzieningen die een school kent voor extra zorg (Elffers, 2011; Cabus, 2012).

Schoolverlaten gebeurt niet van de ene dag op de andere. Meestal is het een langdurig proces, een negatieve spiraal waarin de student terechtkomt. Dat maakt het onmogelijk de bijdrage van één factor te bepalen en dus een precieze oorzaak aan te wijzen van schooluitval (Rumberger, 2001). Dat maakt het er voor scholen niet gemakkelijker op. Ze zullen zich moeten focussen op factoren die binnen hun invloedssfeer liggen. In de wetenschap dat inspanningen desondanks tevergeefs kunnen blijken.   

School en risicostudenten

Mbo-scholen hebben over het algemeen stevig geïnvesteerd om de zorg voor risicostudenten te optimaliseren en zo uitval terug te dringen. Bijvoorbeeld door speciale begeleidingstrajecten te creëren voor jongeren die dreigen af te haken (NJI, 2017).
Fix, Ritzen, Pieters en Kuiper (in druk) deden onderzoek naar één van deze trajecten en beschrijven drie onmisbare pijlers:
1.    de ondersteuning moet relevant zijn voor de individuele student en nauwkeurig afgestemd zijn op diens verwachtingen;
2.    een positief stimulerende relatie tussen docenten en de student;
3.    positief stimulerende relaties tussen de studenten onderling (peer support).

De laatste van deze pijlers, de ondersteuning die risicojongeren elkaar kunnen bieden, heeft nog weinig aandacht gekregen in de zoektocht naar maatregelen om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Terwijl het belang van peer support voor risicostudenten wel degelijk is opgemerkt (Elffers, Oort & Karsten, 2012). Zo kunnen ‘maatjes’ hulp bieden bij schooltaken. Dat versterkt de studentbetrokkenheid, zo leren de ervaringen (Vruchten plukken van peer support, Canon Beroepsonderwijs, mei 2016).

Tot de specifieke trajecten voor risicojongeren behoort Playing for Success, ontwikkeld door vier mbo-scholen gezamenlijk. Studenten volgen hierbij een tienweeks programma met als doel hen opnieuw te motiveren voor een opleiding. Het programma heeft een sportieve invalshoek en wordt aangeboden in plaats van de normale lessen. Studenten van allerlei opleidingen volgen het met elkaar, ongeacht niveau of branche. Activiteiten omvatten loopbaanoriëntatie, competentieontwikkeling en intensieve coaching, afgewisseld met sport- en beweegactiviteiten (Fix, 2016).

Verschillende vormen van peer support

Peer support neemt een belangrijke plaats in binnen Playing for Success Docenten zetten deze onderlinge ondersteuning in de regel op drie manieren in:
1.    Loopbaanoriëntatie. Groepsgenoten (peers) verkennen samen werkvelden via stages of meeloopdagen en bespreken welke competenties je nodig hebt voor een bepaald beroep en de voor- en nadelen van dat beroep. Studenten worden uitgedaagd om bij elkaar interesses en kwaliteiten te ontdekken en geven elkaar feedback gericht op werknemerscompetenties zoals collegialiteit of nauwkeurigheid.
2.    Coaching. Het onderling bespreken van problemen of lastige situaties in de klas, zoals conflictsituaties met docenten, te laat komen en spijbelen, of slechte cijfers. Ook problemen in de privésfeer kunnen aan de orde komen. Belangrijk, omdat privéomstandigheden kunnen leiden tot problemen op school. Doel van de gesprekken is steeds dat studenten met elkaar oplossingen bedenken en elkaar steunen.
3.    Feedback van rolmodellen. Ervaringsdeskundigen, bijvoorbeeld jongeren die zelf motivatieproblemen hebben gehad of problemen op persoonlijk vlak hadden, vertellen hun ervaringen. Daarbij gaat het vooral om succesvolle oplossingsstrategieën die de rolmodellen hebben ontwikkeld. Deze kunnen als voorbeeld dienen voor de risicojongeren.

Peer support organiseren


Peer support in de klas ontstaat nooit ‘zomaar’. Docenten zullen die op structurele en vakkundige wijze moeten organiseren. Dat kan alleen in een veilige en positieve sfeer waarin de jongeren elkaar vertrouwen; anders zullen zij nooit onderlinge relaties aangaan. Het creëren van een dergelijke sfeer is nog niet zo gemakkelijk. Docenten ervaren dat als een hele uitdaging. Zij geven aan primair te zijn opgeleid tot experts op hun vakgebied, met name op het gebied van didactiek. Dat stemt overeen met een advies van de onderwijsraad (Onderwijsraad, 2011), waarin de raad stelt dat docenten in het (v)mbo met name de beroepsgerichte competenties moeten beheersen. Om die reden krijgt de ontwikkeling van competenties gericht op de pedagogische begeleiding van groepen in lerarenopleidingen veel minder accent. Terwijl deze competenties bij het werken met risicojongeren in het mbo wel eens belangrijker zou kunnen zijn dan de (didactische) expertise op het vakgebied (Fix e.a., in druk).  

Tot slot


Petit, Thomsen en Verheijen (2013) signaleren dat positieve effecten van peer support afhangen van de intensiviteit van het contact en de kwaliteit van de relatie tussen jongeren. Nazzal (2002) geeft aan dat peer support positieve effecten heeft op de betrokkenheid van risicostudenten, maar deze effecten cijfermatig zichtbaar maken is lastig (Petit e.a., 2013). De studenten, in programma’s als Playing for Success, zijn blij met positieve, stimulerende klasgenoten. Dit leidt, volgens henzelf, tot verhoging van het zelfvertrouwen en meer motivatie om naar school te komen. Daarnaast geven studenten aan zich in elkaar te herkennen en voelen zij zich gesteund. Eén student verwoordde dit heel treffend: Je hebt gewoon het gevoel dat je het niet helemaal alleen bent, anderen hebben ook problemen, dat is zo’n opluchting voor mij (Fix e.a., in druk).      
 

Enkele deskundigen:


Régina Petit; onderzoeker Kohnstamm Instituut
Alice ter Brugge, docent Playing for Success, ROC van Twente

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN