ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

AFFECTIEVE DIMENSIE VAN LEREN

AFFECTIEVE DIMENSIE VAN LEREN

Leren met een goed gevoel

Auteurs
Patricia Brouwer, Expertisecentrum Beroepsonderwijs
 Update januari 2019 door Rozemarijn van Toly, Expertisecentrum Beroepsonderwijs  

mei 2012

Een mbo-student die zich op zijn gemak voelt, met plezier naar school gaat, presteert beter. Het klinkt bijna vanzelfsprekend. Maar hoe steekt het precies in elkaar, die link tussen ‘affecten’ – de subjectieve belevingswereld van de leerling – en het leerproces? En hoe krijg je er vat op als docent?
 
Leren gaat gepaard met allerlei emoties, zowel positieve als negatieve. Zo kan een student tijdens het leren nieuwsgierig zijn en zelfvertrouwen ervaren, maar ook boos of gefrustreerd raken.
Het is niet zozeer de objectieve leeromgeving die telt, het gaat om de beleving ervan: de subjectieve leeromgeving. En die kan per leerling verschillen, zo blijkt uit onderzoek van Boekaerts en Simons (1995). Een belangrijke vaststelling, want juist die beleving is van grote invloed op de betrokkenheid en houding bij het leren. En daarmee op de verwerking en interpretatie van informatie: het leren dus.
 

De rol van ‘affecten’

Beleving: dat staat voor alle ‘affecten’ die de leeromgeving oproept. Positieve en negatieve gedachten over leertaken, en gevoelens en emoties rond leersituaties. Vooral emoties leggen gewicht in de schaal, maar wat zijn emoties eigenlijk? In wetenschappelijke termen: veranderingen in het fysiologische systeem. Ze onderbreken waar de leerling mee bezig is en bereiden het lichaam voor op actie. Emoties hebben in feite twee functies. In de eerste plaats een adaptatiefunctie: de mogelijkheid (in deze context) van de leerling om zich aan te passen aan de omgeving. En daarnaast een waarschuwingsfunctie: de leerling ontdekt een discrepantie tussen wat hij weet over een bepaald persoon, object of situatie, en wat er op dat moment in de realiteit gebeurt.
Emoties zijn bijvoorbeeld vreugde, verdriet, angst, woede, verbazing en afschuw. Ze zijn nooit als zodanig in een situatie aanwezig, maar ontstaan door de betekenis die de leerling aan een situatie toekent. Een voorbeeld, uit het onderzoek van Bolhuis en Simons (2011): 
  • Wie bij het leren van Frans op school een hekel heeft gekregen aan die taal zal niet snel gelegenheden benutten om Frans te spreken. 
  • Een afdeling waar de medewerkers een training hebben gekregen in samenwerking maar de medewerkers deze samenwerking als lastig beleven (‘dat maakt het werk onnodig moeilijk’) zal niet beter gaan samenwerken.

 

 Angst en schoolstress

De meest onderzochte emotie in het onderwijs is angst. Angst bijvoorbeeld in de vorm van schoolstress is een veelvoorkomend fenomeen. De leerling vergelijkt de taakeisen – de draaglast – met zijn eigen mogelijkheden om aan die eisen te voldoen: de draagkracht. Levert dat een discrepantie op, dan kunnen er twee dingen gebeuren. De leerling kan het verschil als positief ervaren, het roept een gevoel van opgewondenheid op. De leerling ziet de taak bijvoorbeeld als een uitdaging of als een gelegenheid om te laten zien hoe goed hij is. Maar als de leerling er een negatief gevoel bij heeft, roept de taak spanning op. De leerling ziet deze als bedreigend, is bijvoorbeeld bang om een slechte beoordeling te krijgen.

Omgaan met emoties

In het omgaan met emoties gaat het erom welke betekenis een leerling toekent aan een bepaalde leertaak of leersituatie. Problematisch wordt het als een leerling zich voortdurend laat leiden door emoties. Dan wordt het erg moeilijk de aandacht te houden bij waar hij mee bezig is. Daarom is van belang om emoties en gevoelens zoals die worden opgeroepen, enigszins te beheersen. Coping noemen we dat. En daar kunnen we de leerling bij helpen. Het kan onderdeel vormen van het leerproces. Hoe om te gaan met signalen die bijvoorbeeld bedreiging, schade en verlies voorspellen?

Strategieën van coping

Leerlingen gaan op uiteenlopende manieren om met emoties (of iets breder geformuleerd: affecten), zo blijkt uit onderzoek van Vermunt en Verloop (1999). Zij onderscheiden vijf strategieën van coping:
  1. Motiveren/verwachten. Het opbouwen en onderhouden van de wil en verantwoordelijkheid om te leren, en het opbouwen van succesverwachtingen over het verloop en de eigen bijdrage aan de resultaten van het leerproces. Voorbeeld: de leerling beloont zichzelf nadat hij bepaalde subdoelen heeft behaald of denkt aan de negatieve consequenties wanneer hij stopt met leren. 
  2. Concentreren/inspannen. Het richten van de aandacht op taakrelevante aspecten, het omgaan met taakafleidende en voor de taak irrelevante gedachten en emoties, en het verrichten van denkactiviteiten die mentale energie vereisen. Voorbeeld: de leerling elimineert zijn verlangen naar alternatieve bezigheden of is volhardend in de uitvoering van zijn taak, ook als zich problemen voordoen. 
  3. Attribueren/zichzelf beoordelen. Het toeschrijven van leeruitkomsten aan oorzakelijke factoren en het evalueren, waarderen en beoordelen van zichzelf als lerende. Voorbeeld: de leerling schrijft faalervaringen toe aan een gebrek aan inzet of aan een gebrek van bekwaamheid. 
  4. Waarderen. Het toekennen van subjectieve waarden aan leertaken, resulterend in de wil of onwil om energie te investeren in de leertaak. Voorbeeld: de leerling schat op een bepaalde manier de taakrelevantie in, of de mate waarin de taak bijdraagt aan het behalen van zijn persoonlijke doelen. 
  5. Omgaan met emoties. Het genereren, handhaven en herstellen van positieve gevoelens van welzijn, zelfvertrouwen en commitment, en het omgaan met negatieve gevoelens als angst, onrust, onzekerheid, boosheid, stress, twijfel, frustratie en hulpeloosheid. Voorbeeld: de leerling gaat stress vermijden, of gaat realistische leerdoelen stellen
 

Beroepsonderwijs: keuzeprocessen

Emoties en affecten, spelen een rol in elke leersituatie, in alle vormen van onderwijs. Dus ook in het mbo. Zelfs op nog een extra manier: bij keuzeprocessen van deelnemers. En daar zit het mbo vol mee. Zit ik hier wel op mijn plek? Komen mijn talenten tot hun recht? Past deze opleiding bij mij? In welk beroep of specialisatie wil ik gaan werken?
Zo’n toekomstperspectief kan in de loop van de tijd veranderen: concreter worden of verschuiven of verbreden. Maar altijd is er, in welke vorm dan ook, een perspectief op basis waarvan de deelnemer beslissingen neemt en keuzes maakt. Het ontwikkelt zich op basis van ervaring. Een belangrijk gegeven, wat dat biedt aanknopingspunten om jongeren op dit punt te helpen. Hoe? Door ze ervaring te laten opdoen en daar door middel van reflectie een beeld van zichzelf uit te ontwikkelen.
Wat goed werkt, zo blijkt uit onderzoek van Meijers, Kuijpers en Winters (2010) is een loopbaangerichte leeromgeving. Dat is een omgeving die de deelnemer in staat stelt om:
  • levensechte praktijkervaringen op te doen; 
  • invloed uit te oefenen op zowel de inhoud, voortgang als evaluatie van zijn ‘loopbaan-leerproces’; 
  • op basis van vertrouwen een dialoog aan te gaan over zijn leerervaringen.
 
Voorbeelden van onderwijs dat deze principes meeneemt zijn de TechniekFabriek en Big Picture Learning. Uit onderzoek van Van den Berg en De Jong (2015) naar de TechniekFabriek van de NS blijkt dat studenten met positieve gevoelens (terug)kijken naar hun opleiding. De TechniekFabriek biedt de opleiding Mechatronica aan in een hybride situatie, de bol- en bbl-leerwegen vullen elkaar aan in de verschillende leerjaren en het onderwijs wordt in het bedrijf gegeven. Wat leerlingen hieraan motiveert, is het werkend leren: doordat ze de toepassing in de praktijk zien, snappen ze de theorie beter. Ook de sociale cohesie die er is en de zelfstandigheid die van leerlingen wordt verwacht, motiveert hen. Na het volgen van de opleiding hebben studenten een andere kijk op leren ontwikkeld en zijn zij meer intrinsiek gemotiveerd. Een andere methode die ook deze praktijkervaringen biedt, is de methode Big Picture Learning. Uitgangspunt hierbij is het leren in de echte wereld, met projecten. Leerlingen hebben een persoonlijk leerplan en kunnen zo zelf invloed uitoefenen op hun leerproces. Daarnaast wordt er gewerkt met leergroepen, waarin leerlingen begeleid worden. De leergroepen blijven gedurende de schooltijd hetzelfde. 
 
Essentieel is in hoeverre er overeenstemming bestaat tussen wat het beroep vraagt en het eigen toekomstperspectief. Als die match er is, zal dat motiverend werken. Immers, er wordt geappelleerd aan iets waar al een intrinsieke motivatie voor aanwezig is. En vanuit intrinsieke motivatie doen mensen nu eenmaal beduidend meer hun best dan vanuit extrinsieke motivatie. 
 
 

Enkele deskundigen:


Prof.dr. Fred Korthagen, emeritus hoogleraar Onderwijskunde bij de Universiteit Utrecht (leerstoel: De didactiek van het opleiden van leraren) en daarnaast werkzaam als onderzoeker, onderwijsontwikkelaar en adviseur. Zijn specialismen zijn reflectie en zelfsturing als centrale aspecten van professionele ontwikkeling. Hij is mede-ontwikkelaar van de kernreflectiebenadering, waarin denken, voelen en willen geïntegreerd worden en waarin de kracht van de persoon wordt aangesproken (‘krachtgericht coachen’).

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN