ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

LEVENSLOOPEFFECTEN VAN BEROEPSGERICHT ONDERWIJS

LEVENSLOOPEFFECTEN VAN BEROEPSGERICHT ONDERWIJS

De valkuil van vocational decline

Auteurs
Andrea Forster, promovenda Vakgroep Sociologie, Universiteit van Amsterdam  

oktober 2017

Waar ben je als jongere het beste mee af? Met een beroepsgerichte opleiding of juist met algemeen onderwijs? En dat dan niet alleen op de korte termijn, bij het betreden van de arbeidsmarkt, maar bekeken over het hele arbeidzame leven. Dat is nog niet zo eenvoudig. Zo bracht recent onderzoek uit de wereld van de onderwijssociologie het fenomeen van vocational decline aan het licht. Een patroon van vroege voordelen en latere nadelen, dat vooral aan beroepsgerichte opleidingen zou kleven. 
 

Beroepsonderwijs versus algemeen onderwijs

Belangrijk voor jongeren is, in het algemeen, of de opleiding waarvoor ze kiezen een goede voorbereiding biedt op het beroepsleven. Daarom proberen onderzoekers te achterhalen of het voordelig is om een beroepsopleiding in het mbo of hbo te volgen. Of dat juist een algemeen vormende opleiding, zoals havo, een betere keuze is. Tot voor kort leek het een uitgemaakte zaak. Onderzoek naar de overgang van school naar werk concludeerde herhaaldelijk dat jonge afgestudeerden van het beroepsonderwijs het goed doen op de arbeidsmarkt en dat zij makkelijker een baan vinden dan studenten die algemeen onderwijs hebben gevolgd (Shavit & Müller, 1998; Breen, 2005). Geen wonder dat beleidsmakers over de hele wereld graag investeren in beroepsonderwijs als het erom gaat de jeugdwerkloosheid te verminderen. 
 
Is daarmee de kous af? Nee, want wat gebeurt er met jonge werknemers ná die eerste baan? Lange tijd hebben onderzoekers en beleidsmakers daar weinig aandacht aan besteed. Ten onrechte. Het is belangrijk om na te gaan of werknemers met een beroepsgerichte opleiding het goed blijven doen op de arbeidsmarkt. Dat valt te bezien. De afgelopen jaren heeft een groep onderzoekers rond de Stanford-hoogleraar Eric Hanushek betoogd dat afgestudeerden van het beroepsonderwijs het inderdaad aanvankelijk goed doen op de arbeidsmarkt, maar dat zij later in hun loopbaan relatief vaak het slachtoffer zijn van werkloosheid en stagnerende lonen. Dit patroon van vroege voordelen en latere nadelen noemen de onderzoekers vocational decline (Hanushek, Schwerdt, Woessmann & Zhang, 2017). 
 

Vocational decline – hoe het werkt

 Hoe dit fenomeen te verklaren? Volgens de onderzoekers heeft het alles te maken met de specifieke vaardigheden die in het beroepsonderwijs worden aangeleerd en de nauwe verbinding tussen school en werk (Arum & Shavit, 1995). Veel studenten in het beroepsonderwijs lopen stage of werken bij een bedrijf tijdens hun opleiding. Dit is een voordeel aan het begin van de carrière: werkgevers zijn op zoek naar werknemers die meteen aan het werk kunnen, zonder veel training. Afgestudeerden van het beroepsonderwijs zijn dan een perfecte match. Als zij komen solliciteren, kennen werkgevers hen veelal reeds van een stage of van praktijkonderwijs. 
 
Op die manier komen afgestudeerden met een beroepsgericht diploma in het algemeen makkelijker aan een baan. Later kunnen deze specifieke vaardigheden echter een probleem worden. De stand van de technologie verandert met de tijd en na een aantal jaren raken de specifieke vaardigheden verouderd. Te meer omdat werkgevers vaak niet voldoende bijscholing aanbieden om dat te voorkomen. Goed fout loopt het als deze werknemers hun baan verliezen. Vanwege hun specifieke vaardigheden en hun sterke binding aan een bepaald bedrijf is het erg moeilijk om een nieuwe baan te vinden. 
 
Voor de hand ligt dat vocational decline zich vooral manifesteert in landen met een groot aandeel beroepsonderwijs. Daartoe behoort ook Nederland (zie voetnoot 1) . Ons onderwijsstelsel rust immers sterk op beroepsgerichte studieprogramma’s. In hoeverre klopt die veronderstelling? Is Nederland inderdaad in bijzondere mate onderhevig aan vocational decline? 
 

Vergelijkend onderzoek in 20 landen

Hanusheks idee klopt, dat allereerst. Dat wil zeggen: in grote lijnen. Onderzoek in meer dan 20 OESO-landen met behulp van grootschalige internationale enquêtes bevestigt de juistheid van zijn theorie (Hanushek e.a., 2017; Forster, Bol & Van de Werfhorst, 2016). Op een leeftijd tussen de 25 en 30 jaar hebben significant meer afgestudeerden uit het beroepsonderwijs een baan dan afgestudeerden uit het algemeen onderwijs. Dit verschil wordt daarna kleiner en verdwijnt op ongeveer 40- tot 45-jarige leeftijd. Op dat moment hebben werknemers met beroepsgericht en algemeen onderwijs dezelfde kans om werk te hebben. In de jaren daarna beginnen de groepen weer uiteen te lopen, maar nu zijn werknemers met specifieke vaardigheden in het nadeel. 
 
Dat is het algemene beeld. Maar geldt dat ook voor Nederland? Werkt ons onderwijsstelsel vocational decline in de hand? Dit blijkt niet het geval te zijn. Uit landenvergelijkend onderzoek blijkt dat werknemers met een Nederlands diploma van het mbo of het hbo het heel goed doen op de arbeidsmarkt. Niet alleen wanneer ze jong zijn, aan het begin van hun carrière, maar óók op latere leeftijd. Ze raken niet achterop, kunnen goed aan het werk blijven. Het bestaande onderzoek geeft hier nog geen verklaring voor maar het lijkt er dus op dat onze mbo- en hbo-opleidingen jongeren relatief goed voorbereiden op de arbeidsmarkt. 
 

Beroepsgerichtheid van Nederlandse opleidingen

Resteert de vraag of die duurzaamheid van Nederlandse beroepsopleidingen aanwezig is over de hele linie, in het hele spectrum van studieprogramma’s. Het onderzoek naar OESO-landen geeft daar geen uitsluitsel over, daarvoor is het veel te breed van opzet. Maar toch valt er wel iets zinnigs over te zeggen. Door beroepsonderwijs en algemeen onderwijs in Nederland wat nauwkeuriger te bekijken en verschillende opleidingen met elkaar te vergelijken. Met als centrale vraag welke studierichtingen in het mbo of op de universiteit goed zijn voor de werkkansen van jongeren. 
 
Maar eerst nog het volgende. Voor onderzoekers en beleidsmakers vallen alle programma’s die in een beroepsgerichte school onder de noemer ‘beroepsgericht onderwijs’. Er zijn slechts twee categorieën: een onderwijstype is ofwel beroepsgericht dan wel algemeen. Met bovendien als aanname dat opleidingen in het beroepsonderwijs uitsluitend gericht zijn op specifieke vaardigheden en opleidingen in het algemeen onderwijs uitsluitend op algemene vaardigheden.
 
Daar is echter geen sprake van. Studierichtingen binnen eenzelfde onderwijstype vertonen grote verschillen. Zo leert binnen het mbo iemand die wordt opgeleid tot automonteur veel specifiekere vaardigheden dan iemand die een economische studie volgt. Hetzelfde geldt voor studierichtingen binnen het algemeen onderwijs. Wie aan de universiteit geneeskunde studeert, wordt heel nadrukkelijk voor een specifiek beroep opgeleid. Studenten in de sociale wetenschappen daarentegen leren veel bredere vaardigheden.
 
Volgens de theorie van Hanushek zouden afgestudeerden van specifiekere programma’s zoals autotechniek of geneeskunde makkelijker een eerste baan vinden, maar minder vaak werk hebben wanneer ze ouder zijn. Afgestudeerden die algemenere vaardigheden leerden, zoals in administratieve programma’s binnen het mbo of sociale wetenschappen op de universiteit, zouden moeilijker een eerste baan vinden. Daarbij zou het niet belangrijk zijn of deze specifieke vaardigheden in het beroepsonderwijs of in het algemeen onderwijs worden aangeboden. Immers, programma’s die erg sterk aan bepaalde beroepen gelinkt zijn, kunnen als specifiek beschouwd worden. Of zij nu in het mbo of binnen de universiteit te vinden zijn (DiPrete, Bol, Chiocca & Van de Werfhorst, 2017).  
 

Het effect van specifieke vaardigheden

Kloppen deze veronderstellingen? Gaat Hanusheks theorie van vocational decline wel op als we deze verfijning binnen onderwijstypes toepassen? Ook dan blijkt dit niet het geval. Onderzoek dat gebruikmaakt van data uit de Enquête Beroepsbevolking toont aan dat afgestudeerden van specifieke studieprogramma’s in alle schoolvormen het over de hele levensloop goed doen op de arbeidsmarkt (Forster & Bol, 2017). Aan het begin van hun carrière profiteren zij van hun specifieke vaardigheden en hebben zij een grotere kans op werk dan afgestudeerden van programma’s die algemener van aard zijn. Maar aan het eind van hun carrière, op ongeveer 60-jarige leeftijd, doen werknemers met specifieke diploma’s het nog stééds even goed als afgestudeerden van minder specifieke studieprogramma’s. Naarmate de loopbaan vordert, raken zij de voordelen van hun specifieke vaardigheden kwijt, maar er ontstaan geen duidelijke nadelen in vergelijking met werknemers die een algemene opleiding hebben genoten. Met andere woorden, er is dus evenmin bewijs voor Hanusheks theorie als we binnen Nederlandse onderwijstypen uitsluitend kijken naar studieprogramma’s en opleidingen met een specifiek karakter. Wat wél klopt is dat studierichtingen met een sterke link tot een beroep gunstig zijn voor studenten. Immers, ze komen daarmee sneller aan de slag. Dat geldt voor zowel mbo als universiteit.
 

Conclusies

Specifieke vaardigheden zijn waardevol, mogen we concluderen. Niet alleen voor afgestudeerden van het mbo, maar ook bijvoorbeeld voor afgestudeerden van de universiteit. Wat betekent dit voor het Nederlandse onderwijs? Moet er een zwaarder accent komen te liggen op specifieke vaardigheden, ongeacht het onderwijstype? Die vraag is niet makkelijk te beantwoorden. Het is zeker een belangrijk doel van onderwijs om de kans op werk voor studenten te vergroten, maar het is niet het enige doel. Al was het alleen maar omdat ook andere aspecten van werk aandacht verdienen, zoals de hoogte van het loon, de beroepsstatus en of het werk voldoening geeft. En verder is de voorbereiding op de arbeidsmarkt slechts één van de doelen van onderwijs. Denkbaar is dat studieprogramma’s die goed zijn voor kansen op de arbeidsmarkt juist heel slecht zijn voor andere uitkomsten zoals maatschappelijke participatie. 
 
We moeten dus ook nagaan hoe beroepsgerichtheid deze andere doelen van onderwijs beïnvloedt. Maar vast staat in ieder geval dat beroepsgericht onderwijs in Nederland meer voordelen dan nadelen heeft voor de baankansen van jongeren. Dus als werkkansen op de voorgrond staan, kan aan jongeren het advies worden gegeven om opleidingen te volgen die specifieke vaardigheden bevorderen en die naar een specifiek beroep leiden. Het maakt daarbij niet uit of deze opleidingen in het mbo of op de universiteit worden aangeboden. Voor beleidsmakers is het relevant dat beroepsgerichte inhoud belangrijk is voor iedere soort van opleiding. Verbindingen met de arbeidsmarkt bevorderen de kansen op werk, óók binnen het algemene onderwijs.
 
(voetnoot 1) Zie de website van CEDEFOP voor Europese data voor aantallen studenten (voortgezet onderwijs zonder hoger onderwijs). Zie ook het artikel Beroepsonderwijs internationaal in deze Canon Beroepsonderwijs.
 

Enkele deskundigen:


  • Herman van de Werfhorst, Hoogleraar Sociologie, Universiteit van Amsterdam
  • Thijs Bol, Universitair docent, Universiteit van Amsterdam
  • Andrea Forster, Promovenda, Universiteit van Amsterdam

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN