ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

EXAMENS NEDERLANDS IN HET MBO

EXAMENS NEDERLANDS IN HET MBO

Is de klus geklaard?

Auteurs
Eline Raaphorst, Centrum voor Nascholing & Annemarie Groot (Expertisecentrum Beroepsonderwijs)
Update april 2020 door Annemarie Groot (ECBO) & Manouk van den Brink (CINOP)
Update juli 2017
 

juli 2014

Vanaf het schooljaar 2015-2016 tellen  de examens Nederlands mee voor alle mbo-studenten, met uitzondering van entreestudenten. Na een jarenlang implementatietraject moesten mbo-instellingen er klaar voor zijn. Heeft het traject de beoogde niveauverhoging opgeleverd? En is de klus daarmee geklaard?
 
In 2007 installeerde het ministerie van OCW de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen, die een Referentiekader voor taal (en rekenen) heeft opgesteld (Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen (2009)). Dat alles naar aanleiding van maatschappelijke onrust over de tekortschietende taalbeheersing van jongeren. Het document geeft duidelijkheid over de eisen waaraan leerlingen en studenten moeten voldoen vanaf het basisonderwijs tot en met het hoger onderwijs.
 

Tekortschietende taalbeheersing 

Bij het formuleren van de taaleisen heeft de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen zich niet alleen gebaseerd op de huidige onderwijspraktijk. De referentieniveaus zijn tevens ‘ambitieniveaus’, omdat het beheersingsniveau van taal omhoog moet in alle geledingen van het onderwijs. Dat is nodig, wil Nederland zich kunnen blijven meten met andere hooggeïndustrialiseerde landen.
 

Ambitieniveaus 

Wat zijn die ambitieniveaus voor de verschillende lagen van ons onderwijsgebouw? Voor het basisonderwijs is dat het niveau 1F. Dat moeten leerlingen bereikt hebben bij het afsluiten van dit basisonderwijs. Niet voor elke leerling zal dat zijn weggelegd; daar is het ook een ambitieniveau voor. Het is zodanig geijkt dat het in 2009 haalbaar was voor 75% van de leerlingen in het primair onderwijs. Voor het vmbo geldt het niveau 2F. Als ijkpunt is de toetsscore gekozen die 50% van de studenten in 2009 behaalde in het vierde jaar van het vmbo, in de kaderberoepsgerichte leerweg. Die 50% lijkt een hoog gegrepen normering te zijn. Maar die heeft te maken met de brede differentiatie van het vmbo: van basisberoepsgerichte leerweg tot theoretische leerweg. Voor het havo is ambitieniveau 3F van toepassing. IJkpunt hier is de score die 75% van de havo 5-leerlingen behaalde in 2009 (Monitor taal en rekenen, 2009).
 
Figuur 1: Referentiekader taal en rekenen.
 
 Bron: Over de drempels met taal en rekenen (2009).


Taalbeheersing van beginnende mbo-studenten 

Hoe vertalen deze ambitieniveaus zich naar de taalbeheersing van (startende) studenten op het mbo? Het merendeel van hen is afkomstig uit het vmbo. In 2018 besloeg deze groep 91,6% van de eerstejaars mbo’ers (MBO Raad, 2020). Ambitieniveau 2F zou dus dominant aanwezig moeten zijn en het uitstroomniveau (eveneens 2F voor mbo 1-3 of 3F voor mbo 4) binnen handbereik. Maar is dat ook zo?

Vanaf de invoering van de referentieniveaus in het onderwijs tot 2017 werd de voortgang van de implementatie gemonitord. Vanaf schooljaar 2016-2017 tellen de examens Nederlands in het mbo 2F en 3F mee voor het diploma. In monitorrapportages van het College voor Toetsing en Examens (CvTE) werd tot 2017 jaarlijks verslag gedaan van de prestaties op de centrale examinering.  De centrale examens voor het vak Nederlands in het mbo bestaan uit de vaardigheden lezen en luisteren. De andere drie vaardigheden (spreken, gesprekken voeren en schrijven) worden door de instellingen zelf afgenomen en niet centraal gemonitord.

Er zijn verschillende factoren die een vergelijking over de jaren heen bemoeilijken, waaronder de zeer wisselende populatie en ook het wisselende afnamemoment. De laatst gepubliceerde rapportage referentieniveaus gaat over het schooljaar 2016-2017 (CvTE, 2017). In dat schooljaar tellen de examens Nederlands voor mbo 4 mee en voor het eerst ook voor mbo 2 en 3. Het bleek dat het eindniveau 2F goed haalbaar is voor mbo 21) - en mbo 3-studenten (zie figuur 2). Het percentage voldoendes ligt voor mbo 4-studenten wel een stuk lager.

Voor zowel de mbo 2-studenten als de mbo 3-studenten geldt dat het slagingspercentage in 2016-2017 nagenoeg gelijk is gebleven aan het percentage van het voorgaande schooljaar. Voor mbo 4 is een lichte stijging te zien in het schooljaar 2016-2017 ten opzichte van het schooljaar 2015-2016 (zie figuur 2). Het overzicht van de prestaties door de jaren heen laat zien dat het percentages voldoendes op het centraal examen Nederlands ten opzichte van het eerste jaar waarin de referentieniveaus zijn geïntroduceerd (2011-2012) op alle niveaus is gestegen (zie figuur 2).

Figuur 2: ‘Percentage voldoendes Nederlandse taal vanaf 2011-2012.
Bron: CvTE, (2017) Rapportage referentieniveaus 2016-2017.
 
Een groep van ongeveer 5% van de studenten op mbo-niveau 2, 3 en 4 behaalde een cijfer onder de 52) (zie tabel 1). Deze studenten moeten hun cijfer met het cijfer voor het instellingsexamen tot minimaal een 5 ophalen om alsnog een diploma te ontvangen. Uit de BRON-gegevens van DUO blijkt dat 93% van de mbo-2-studenten, 95% van de mbo-3- studenten en 81% van de mbo-4-studenten die in 2017 hun diploma hebben behaald, het centraal examen Nederlands met een voldoende hebben afgerond.
 
Tabel 1: Procentuele cijferverdeling naar opleiding voor het centraal examen Nederlandse taal (schooljaar ’16-’17); bron: CvTE, 2017 )
 
  __________________________________________
1) Voor mbo 2 geldt dat er cijferdifferentiatie toegepast wordt. Dat betekent dat de studenten hetzelfde examen maken op taalniveau 2F als mbo 3-studenten maar dat zij bij het vaststellen van het cijfer één extra punt toegekend krijgen.  De reden hiervoor is dat niveau 2F voor een deel van de leerlingen te hoog gegrepen is.

2) Voor entreestudenten ligt dit percentage op 30%, maar daarvoor geldt dat deelname aan de centrale examinering taal en rekenen nog altijd niet verplicht is.

 
In 2016 heeft het CvTE voor het eerst in beeld gebracht hoe studenten presteren op het instellingsexamen in verhouding tot het centraal examen (CvTE, 2016). Daaruit blijkt dat het cijfer voor het centraal examen gemiddeld genomen lager ligt dan het cijfer voor het instellingsexamen. Uiteindelijk heeft 98% van de mbo-studenten op mbo 2 en mbo 3 een voldoende voor Nederlands behaald; voor mbo 4 gaat het om 97% van de studenten. In 2017 is deze verdeling nog steeds zichtbaar. Vooral bij mbo-4-opleidingen is de compenserende werking van het instellingsexamen goed zichtbaar. De resultaten van het instellingsexamen liggen daar gemiddeld 0,9% hoger dan die van de centrale examens (CvTE, 2017).
 

Generieke en beroepsgerelateerde taaleisen

De meeste mbo-studenten halen dus uiteindelijk het vereiste taalniveau voor het examen Nederlands. Desondanks beoordeelt slechts 65% van de werkgevers van recent afgestudeerde mbo’ers het taalniveau met een ‘goed’ of ‘zeer goed’ (SBB, 2018). De afgelopen jaren is bij mbo-instellingen wel het besef gegroeid dat goede vakmensen die onvoldoende taalvaardig zijn, geen diploma meer krijgen.
Naast de generieke taaleisen in het referentiekader gelden in het beroepsonderwijs ook beroepsgerelateerde taaleisen: vakspecifieke taalkennis die nodig is om als student je beroep te leren en later goed te kunnen uitoefenen. De beroepsgerelateerde taaleisen staan in de competentiegerichte kwalificatiedossiers en zijn geformuleerd op basis van de vereisten uit het beroep en het vakgebied. Zo kan er onderscheid gemaakt worden tussen talige beroepen, zoals in de kinderopvang, waar het gevraagde taalniveau ook voor een mbo 3-opleiding op 3F ligt (Taal in de Kinderopvang, 2020) en de minder talige beroepen, zoals monteur.
 

Taalvaardig op verschillende manieren


Beroepsgerelateerde taaleisen verschillen vanzelfsprekend per sector en per beroep. Maar toch valt er wel het een en ander in algemene zin over op te merken. In een overzichtsstudie over taalvaardigheid en vakonderwijs in het mbo hanteert Elbers (2012) de volgende indeling:
  1. Taalgebruik in het onderwijs: Taalcompetenties zijn belangrijk voor de beroepsuitoefening, maar studenten hebben ze ook nodig om hun opleiding succesvol af te ronden. Voor alle beroepsopleidingen geldt dat mbo-studenten vaardig moeten zijn in lezen en luisteren, schrijven en spreken, zodat ze bijvoorbeeld mondelinge en schriftelijke opdrachten kunnen uitvoeren, werkstukken kunnen maken en toetsen en examens kunnen afleggen. Onderzoek laat zien hoe complex deze vaardigheden zijn, zeker voor studenten uit de lagere sociaaleconomische milieus en voor studenten met een migratieachtergrond. In het onderwijs gelden vaak impliciete taaleisen, wat misverstanden en onbegrip in de hand kan werken. Docenten kunnen een bepaald (niveau van) taalgebruik van hun studenten verwachten, zonder dat zij dit expliciet aan hen kenbaar te maken. Het is daarom een opdracht aan vak-en taaldocenten om die eisen expliciet te maken en met studenten te bespreken.
  2. Vakspecifiek taalgebruik: Wie zich voorbereidt op het werken in een beroep zal zich de vakspecifieke terminologie eigen moeten maken, evenals de vakspecifieke manier waarop vakkennis wordt verwoord. Het is onmisbaar om schriftelijke en digitale vakteksten te begrijpen. Verder moeten studenten ervaring opdoen met mondelinge, schriftelijke en digitale manieren van presentatie die voor hun vakgebied gebruikelijk zijn. En natuurlijk moeten ze ook leren om te communiceren met collega’s en klanten. Waarbij het niet alleen gaat om vakspecifieke, maar ook om alledaagse manieren van communiceren.
  3. Beroepsgerelateerde communicatievaardigheden: Tijdens de beroepsopleiding moeten studenten lezen en luisteren, schrijven en praten over complexe zaken. Op een andere manier dan zij in het alledaagse taalgebruik gewend zijn. Het gaat om redeneren, oorzaken en gevolgen onderscheiden, verklaringen geven, samenhangen onderkennen, en plaats en tijd benoemen. Vakgebieden onderscheiden zich daarin van elkaar. Het maken van een procesbeschrijving in de elektrotechniek vraagt om andere redeneringen dan het maken van een dagverslag over een kind in een kinderdagverblijf.
 

Taalonderwijs op het mbo in de praktijk


Sinds de jaren negentig zijn er verschillende eisen gesteld aan het onderwijs in de Nederlandse taal in de mbo-opleidingen. Meningen en inzichten lopen uiteen en evolueren ook. Maar in de kern gaat het debat over het taalonderwijs steeds over de vraag of de Nederlandse taal apart of geïntegreerd met beroepscompetenties moet worden aangeboden (Raaphorst & Steehouder, 2011). Een kort overzicht:
 

Wet educatie en beroepsonderwijs


In 1996 is via de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) een landelijke kwalificatiestructuur ingevoerd. Voor het brede scala aan beroepsopleidingen is in de WEB vastgelegd aan welke beroepsmatige eisen mbo-studenten moeten voldoen als zij de opleiding hebben afgerond. Voor het beheersen van de Nederlandse taal zijn destijds geen aparte eisen geformuleerd (Luken, 1996). Mede daarom bestaat er dan ook geen eenduidig beeld van de positionering van het vak Nederlands. Er zijn opleidingen waar Nederlands als apart vak op het rooster is blijven staan. Er zijn ook opleidingen waarin de Nederlandse taal verbonden wordt met algemene vorming en met beroepsvakken (Goch, 1998).
 

Competentiegericht onderwijs

In 2004 is gestart met de invoering van het competentiegerichte onderwijs. In de ontwikkeling van opeenvolgende versies van de kwalificatiedossiers zien we dat de eisen aan de Nederlandse taal steeds explicieter worden geformuleerd, maar een verplichtend karakter hebben ze dan nog niet. Scholen maken zelf keuzes of en hoe ze de Nederlandse taal in het onderwijs en de examinering inpassen.
 

Raamwerk Nederlands


Vanaf 2007 veranderde dat. Taaleisen voor het beroep zijn in alle kwalificatiedossiers vastgelegd volgens de niveau-indeling van het dan beschikbare Raamwerk Nederlands (Bohnenn, 2007). De beheersing van de Nederlandse taal krijgt een verplichtend karakter. In deze periode wordt het concept Drieslag Taal (Bolle, 2009) geïntroduceerd. In dit model vindt de taalontwikkeling van studenten plaats langs drie samenhangende leerlijnen: taalontwikkeling in de beroepsgerichte vakken, in algemene en functionele taallessen, en in remediërend taalonderwijs.
 

Wet Referentieniveaus


In 2010 is de Wet Referentieniveaus van kracht geworden. Voor het mbo betekent dit in twee opzichten een trendbreuk met het beleid tot dan toe. Taaleisen zijn voortaan niet alleen vastgelegd in de kwalificatiestructuur maar ook in een sectoroverstijgende wet. Daar komt nog bij dat er vanaf het cursusjaar 2013-2014 voor de vaardigheden lezen en luisteren in de Nederlandse taal centrale examens worden ingevoerd, terwijl de examinering in het mbo voorheen altijd exclusief de verantwoordelijkheid van de instellingen was. Deze centrale examens zijn ontwikkeld door Cito in opdracht van het College voor Toetsen en Examens (CvTE). Het CvTE verzameld, met de hulp van DUO, de resultaten en monitort zo de behaalde resultaten op de examens Nederlands in het mbo.

Slaag-zakbeslissing


In het jaar 2016-2017 telden de examens Nederlands voor het eerst mee voor de slaag-zakbeslissing voor de opleidingen op niveau 2, niveau 3 en niveau 4. Dit houdt in dat studenten die als eindcijfer een voldoende scoorden voor Nederlands hun diploma krijgen. Voor studenten uit entree-opleidingen is het niet verplicht om deel te nemen aan de centrale examens. Daarbij is het zo dat entree-studenten en mbo-2-studenten voor wie het niveau 2F niet haalbaar is versoepelende regelingen worden getroffen. Er wordt dan een cijferdifferentiatie toegepast, waardoor deze studenten één cijferpunt extra krijgen.

Zes varianten

Inmiddels staat taal in de meeste mbo-instellingen als apart vak op het rooster. Op uiteenlopende manieren, dat wel. Raaphorst en Steehouder (2011) onderscheiden zes varianten  in de praktijk van het taalonderwijs op de mbo-instellingen. Varianten die apart, naast elkaar, in combinatie met elkaar en in samenhang met elkaar voorkomen. Deze verscheidenheid vraagt veel van zowel taal-als vakdocenten.
 

Kenmerken van goed taalonderwijs


Is er bij alle varianten en combinaties daarvan, aan te geven wat goed taalonderwijs op het mbo zou moeten inhouden? Ja en nee. Een ultiem antwoord valt nog niet te geven. Een aantal do’s en don’ts wél. Zo blijkt uit onderzoek dat zelfstandig grammaticaonderwijs, dat los staat van functionele, betekenisvolle contexten, weinig zinvol is (Elbers, 2012). Voor de hand ligt de beroepsinhoud aan te wenden voor zo’n betekenisvolle context.
Aangetoond is dat dit mbo-studenten motiveert en het taalleren gemakkelijker maakt (Van Schooten & Emmelot, 2004; Hajer & Meestringa, 2004; Raaphorst, 2007). Dit wil niet zeggen dat het taalonderwijs op moet gaan in het beroepsonderwijs. Elbers (2012) concludeert op basis van zijn overzichtsstudie dat taalonderwijs in het mbo een eigen plaats en identiteit in de opleidingen moet hebben, met taaldocenten die een eerste verantwoordelijkheid dragen voor het formuleren van taaldoelen.
 
Samenwerking tussen taaldocenten en vakdocenten voorkomt dat het taalonderwijs losstaat van de beroepsopleiding. Sterker nog: het is óók aan vakdocenten om een bijdrage leveren aan de taalontwikkeling van mbo-studenten. Geleidelijk aan lijkt het besef te ontstaan dat taal in elk vak een belangrijke rol speelt en dat zonder een goede taalbeheersing de uitoefening van het vak niet altijd goed verloopt (Bolle, 2013). Maar kunnen vakdocenten dat? Hebben ze zelf een opleiding gevolgd met slechts beperkte aandacht voor taal, dan ligt daar zeker een knelpunt. Zo worden bij ROC Midden Nederland vakdocenten ingezet op taal en rekenen wegens overformatie bij de vakcolleges. Er is bij hen bekend dat het taalniveau van de docenten zelf soms te wensen over laat. Daarom organiseren zij scholingen voor hen om het eigen taal- en rekenniveau te verhogen (Bolle, 2013).

Examinering Nederlands


Nu er weer centraal ontwikkelde examens op het programma staan die generieke thema’s behandelen, lijkt men met name op managementniveau te denken dat een algemene les Nederlands met algemene methodes Nederlands voldoende is om toe te leiden naar de examens Nederlands (Bolle, 2013). Daar tegenover staat dat vakdocenten en taaldocenten over het algemeen van mening zijn dat de integratie van taaltoetsen en beroepstaken het meest rechtdoet aan het meten van de competentie van een beginnende beroepsbeoefenaar (Speijers, 2012). Minister Zijlstra heeft vraagtekens geplaatst bij de validiteit van generieke toetsen. Meet je dan wel wat je wilt meten? (Steunpunt taal en rekenen mbo, 2014). Zijlstra: “De inhoud staat ver af van de eigen leefwereld of van de eigen beroepscontext en we merken dat het toch een heel aantal cursisten niet lukt om zich in te leven in andere situaties. Dan toets je eigenlijk meer fantasie en inlevingsvermogen dan dat je het Nederlands toetst.”

Instellingen zijn dan ook zoekende wat in hun visie het meest recht doet aan de examinering van het Nederlands in een beroepsopleiding. Zij proberen daarbij rekening te houden met wat de meest efficiënte manier is om de afname van instellingsexamens te organiseren en wat de beste manier is om de kwaliteit van examens te borgen. Meestal geven overwegingen met betrekking tot beheersbaarheid de doorslag, terwijl daarmee voorbijgegaan wordt aan de mogelijkheid kandidaten in authentieke of gesimuleerde beroepssituaties te kunnen beoordelen, aldus Speijers. Toch zijn er veel uiteenlopende scenario’s bekend, variërend van een sterk centrale organisatie (waarbij constructie, vaststelling, afname en beoordeling centraal zijn georganiseerd) tot instellingen die de verantwoordelijkheid van de organisatie van examens op decentraal niveau neerleggen
(waarbij examens zoveel mogelijk binnen de beroepscontext worden afgenomen) en alles daartussenin (centrale kaders, maar decentrale constructie) (Steunpunt taal en rekenen mbo, 2014).

Welke aanpak ook gekozen wordt, het beoogde doel was het realiseren van een niveauverhoging van de Nederlandse taalvaardigheid onder mbo-studenten. De meest recente cijfers lijken aan te tonen dat de meeste mbo-studenten op het uiteindelijke vereiste taalniveau uitstromen. Desondanks is de maatschappelijke discussie nog altijd levend. Uit recent internationaal onderzoek bleek dat de gemiddelde leesprestaties van Nederlandse scholieren  tussen 2009 en 2018 significant is afgenomen, ondanks de invoering van de referentieniveaus ook in het vo (Gubbels, van Langen, Maassen & Meelissen (2019). De daling was het grootst voor het praktijkonderwijs en het vmbo. Ook het leesplezier is significant afgenomen. Het ministerie vindt de resultaten zorgelijk en heeft een aantal stappen aangekondigd om het leesniveau  te verbeteren. Daarmee is de klus voor de onderwijsinstellingen dan ook nog niet geklaard.
 
(noot 1) Vanaf studiejaar 2015-2016 geldt voor mbo 2-, mbo 3- en mbo 4-studenten dat zij voor Nederlands niet lager mogen hebben dan een 5. Voor mbo 4 komt daarbij dat  van de eindcijfers voor Nederlands en Engels er één onvoldoende mag zijn (niet lager dan een 5). Het andere cijfer moet dan ten minste een 6 zijn (“Servicedocument ‘invoering Centraal Ontwikkelde Examens Nederlands 3F’ in schooljaar 2014/2015”, Steunpunt taal en rekenen mbo).

Enkele deskundigen:


Tiba Bolle, programmamanager ITTA, Universiteit van Amsterdam 
Ed Elbers, hoogleraar Sociale Wetenschappen, Universiteit Utrecht

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN