ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

TOELATINGSBELEID VAN MBO-INSTELLINGEN

TOELATINGSBELEID VAN MBO-INSTELLINGEN

Iedereen een passende opleiding

Auteurs
Barbara Wijering-van Wijk, (BW Onderzoek en Advies), Régina Petit en Fred Verbeek (Kohnstamm Instituut) 
update april 2018

maart 2015

Sommige jongeren schrijven zich in voor een opleiding, terwijl ze nog worstelen met de studiekeuze. Mbo-opleidingen krijgen te maken met studenten die weliswaar voldoen aan de toelatingseisen, maar waarbij twijfel is of plaatsing verstandig is. Ook komt het voor dat een opleiding te veel aanmeldingen krijgt. Om deze en andere redenen ontkomt het mbo niet aan toelatingsbeleid. Hoe richt je dat zorgvuldig in? En wat schrijft de wet voor?  


Veel mbo-instellingen zijn zoekende naar de vormgeving van hun toelatingsprocedures. Mede omdat er nogal wat factoren zijn om rekening mee te houden zoals ontwikkelingen in het landelijk beleid en het wettelijke kader. Allereerst nemen we aard en structuur van de toelatingsprocedure onder de loep, vervolgens gaan we in op de wet- en regelgeving. We sluiten af met enkele handreikingen voor mbo-instellingen voor zorgvuldig en effectief toelatingsbeleid.
 

Toelatingsprocedure: de verschillende fasen  

 

Globaal bestaat de toelatingsprocedure uit vier fasen. Waarbij aan de eerste fase meestal een periode van oriëntatie en voorlichting voorafgaat. In schema ziet het er als volgt uit:

 
Idealiter doorloopt de student alle fases. Nadat de student een keuze heeft gemaakt voor een opleiding, meldt hij of zij zich eerst aan bij de opleiding (fase 1). Dat moet uiterlijk plaatsvinden op 1 april voorafgaand aan het schooljaar waarin de student aan waarin de student aan de opleiding wil beginnen. In de onderzoeksfase (fase 2) bekijkt de instelling dat verzoek. In deze fase vindt in ieder geval een studiekeuzeadviesgesprek plaats. In zo’n gesprek bekijken school en student samen of de opleiding aan de verwachting van de student voldoet. Ook is het mogelijk dat er in deze fase andere intakeactiviteiten zijn voor de student, zoals een proefles. De school verzamelt in de onderzoeksfase gegevens over de student van alle partijen die bij de overstap naar het mbo betrokken zijn, zoals de aanleverende vo-school. In fase 3 bevestigt de opleiding de toelating. De inschrijving is een administratieve handeling. Tot slot wijst de opleiding in fase 4 de student een plaats toe in een bepaald gebouw en een bepaalde klas of groep. 
 
Gaat het altijd zo? Nee, niet alle studenten doorlopen alle fases. En sommige studenten doorlopen fasen meerdere malen. Zo kan in fase 2 de student op grond van het studiekeuzeadviesgesprek tot de conclusie gekomen zijn dat de gekozen opleiding niet de juiste is. In dat geval zal de opleiding de student begeleiden bij heroriëntatie en het zoeken van een andere passende opleiding, binnen of buiten de instelling. 


Functies van toelatingsbeleid

 
Toelatingsprocedures in het mbo zijn in de loop der jaren van karakter veranderd. Aanvankelijk ging het meestal om niet veel meer dan een administratief aanmeldingsproces. Naarmate er meer aandacht kwam voor het rendement van opleidingen en loopbaanbegeleiding werd kritischer gekeken en was toelating niet altijd meer vanzelfsprekend. Er ontwikkelden zich drie functies van toelatingsbeleid (Van Wijk, 2013abc):  
 
  1. De student leren kennen: intakers verzamelen informatie over de student. Als bekend is wat een student kan, wil en nodig heeft, helpt dat om het onderwijs vanaf de start van de opleiding aan te passen aan de behoefte van elke student.
  2. Helpen met de beroepskeuze: studenten vinden het vaak lastig de juiste beroepskeuze te maken. Maar dat is wel van doorslaggevend belang om een opleiding met succes af te ronden. Een reden om de student tijdens de toelating te vragen naar zijn verwachtingen van opleiding en beroep. In hoeverre komen die overeen met de werkelijkheid? Een vroegtijdige start van het loopbaanbeleid. 
  3. Een haalbare opleiding kiezen: mbo-instellingen streven naar doelmatige leerloopbanen, zowel in lengte als in rendement. Daarom proberen zij studenten te plaatsen in opleidingen die de student binnen een redelijke termijn succesvol kan afronden.


Studievoortganggesprek en bindend studieadvies


Ondanks de inspanningen in de onderzoeksfase om zo goed mogelijk in te schatten of er een goede match is tussen student en opleiding, kan tijdens de opleiding blijken dat dit toch niet het geval is. In het eerste studiejaar krijgen studenten daarom een studievoortganggesprek. Scholen kunnen studenten met te weinig studievordering het recht op het vervolgen van de opleiding ontnemen (bindend studieadvies). Deze studenten worden begeleid bij de oriëntatie op een andere opleiding. Het bindend studieadvies moet bij eenjarige opleidingen na drie maanden en binnen uiterlijk vier maanden gegeven worden. Bij meerjarige opleidingen moet dit advies na ten minste negen maanden en uiterlijk aan het einde van het eerste studiejaar gegeven worden. Een negatief bindend studieadvies kan alleen gegeven worden bij onvoldoende studievoortgang waarbij extra begeleiding, evenals een waarschuwing geen effect heeft gehad. Er is geregeld dat er eerst een schriftelijke waarschuwing gegeven moet worden aan de student, voordat de instelling een negatief bindend studieadvies mag geven. 

 

Wet- en regelgeving

 

Het wettelijk kader van het toelatingsbeleid wordt gevormd door de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de doorstroomregeling vmbo-beroepsonderwijs. Maar daar houdt het niet mee op. Instellingen moeten ook rekening houden met de Wet gelijke behandeling ziekte/handicap (WGBH/cz), de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL), het Burgerlijk Wetboek (BW), de Grondwet en Europese verdragen zoals het Kinderrechtenverdrag. Ook in het kader van passend onderwijs hebben instellingen de plicht om een passende opleiding te bieden. Met ingang van het studiejaar 2018-2019 is de wet ‘Vroegtijdige aanmelddatum voor en toelatingsrecht tot het middelbaar beroepsonderwijs’ van kracht. Met de nieuwe wetgeving is het mbo-instellingen, op enkele uitzonderingen na, niet meer toegestaan om jongeren die aan de vooropleidingseisen voldoen en zich voor 1 april hebben aangemeld, de toegang tot een mbo-opleiding te weigeren. Daarnaast voorziet de wet in een vroegtijdige aanmelddatum (voor 1 april) voor een mbo-opleiding, recht op een studievoortgangsgesprek tijdens de overstap en een bindend studieadvies voor alle studenten in het eerste jaar van de opleiding. Daarnaast hebben studenten ook recht op een studiekeuzeadvies. 
 
Er zijn enkele uitzonderingsbepalingen wat weigeren betreft. Soms kan een school vanwege te weinig werkgelegenheid in een beroep een maximum stellen aan het aantal studenten. Een tweede uitzondering geldt voor beroepen waarbij van studenten bijzondere kwaliteiten wordt gevraagd, bijvoorbeeld bij kunst- en sportopleidingen. Er zijn per ministeriële regeling opleidingen aangewezen waarvoor aanvullende toelatingseisen mogen worden gesteld. Scholen mogen ook eisen stellen ten aanzien van de identiteit van de school. Bijzondere scholen kunnen de kandidaat en ouders vragen de religieuze of levensbeschouwelijke opvattingen waar de school voor staat, aan te hangen (Lathouwers & Van Schoonhoven, 2017). Scholen mogen ten slotte studenten weigeren die al meer dan drie keer een negatief studieadvies hebben gehad. Een student mag niet worden geweigerd op grond van leeftijd, geslacht, geloof of handicap. Tegelijkertijd geldt dat de onderwijsinstelling niet elke noodzakelijke aanpassing, bijvoorbeeld vanwege een handicap, hoeft te leveren. Vormt aanpassing een onevenredige belasting, die redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, dan is weigering toch toegestaan. Wanneer sprake is van weigering, dan wordt dit toegelicht, met redenen omkleed en schriftelijk bevestigd. Bij een weigering hoort een inspanning van de instelling om een andere opleiding te vinden en de mogelijkheid om bezwaar te maken bij de civiele rechter. Het College voor de Rechten van de Mens behandelt klachten hierover.
 
Uit alle genoemde wet- en regelgeving zijn twee belangrijke uitgangspunten te destilleren:
  • Toegankelijkheid: mbo-instellingen hebben de plicht te zorgen voor toegankelijk beroepsonderwijs, rekening houdend met het recht op onderwijs en de leer- en kwalificatieplicht. Met de nieuwe wetgeving is de toegankelijkheid nog beter gewaarborgd. 
  • Zorgvuldigheid: de toelatingsprocedure dient zorgvuldig te zijn. Dit betekent dat de procedure is vastgelegd, de student redelijkerwijs op de hoogte kan zijn van de procedure en criteria, de intakemedewerkers het beleid consistent uitvoeren en de criteria betrouwbaar en valide zijn. De uitkomst van de procedure is onvoorwaardelijk (eenmaal ingeschreven blijft ingeschreven) en voor de student volledig helder. 
 
De aanleiding voor de nieuwe wetgeving was dat er signalen waren dat jongeren met een vmbo-diploma om onduidelijke of oneigenlijke redenen werden geweigerd voor een mbo-opleiding. De omvang van dit probleem is onbekend omdat er geen centrale registratie is van het aantal jongeren dat zich aanmeldt en het aantal jongeren dat wordt toegelaten tot de opleiding van hun keuze. Uit twee verkennende onderzoeken blijkt wel dat er grote verschillen waren tussen instellingen, maar ook binnen instellingen in het beleid en de praktijk. Er zijn voorbeelden van grote inspanningen en ruimhartige toelating maar ook van weigering op twijfelachtige gronden (Fettelaar e.a., 2013; Van Wijk e.a., 2013abc). De uitvoering in de praktijk leek dus sterk afhankelijk van opvattingen en inschattingen van individuen. 
 
 

Wat kan een mbo-instelling doen voor een zorgvuldig en effectief toelatingsbeleid? 


De recente maatregelen beogen de overstap van het vo naar het mbo beter te laten verlopen. De eerdere aanmelding en keuzebegeleiding bevorderen dat jongeren tijdig nadenken over hun keuze en deze weloverwogen maken, dat de positie van de student wordt versterkt doordat de eigen keuze wordt gehonoreerd, en dat zij niet geweigerd kunnen worden. Tegelijk heeft de invoering van deze wet mogelijk tot gevolg dat instellingen minder grip hebben op de instroom van studenten. Hoe dit uitpakt in de praktijk zal moeten blijken. In elk geval zijn de volgende aspecten van belang voor zorgvuldig en effectief toelatingsbeleid.
 
  1. Functies van het toelatingsbeleid behouden

    Zoals genoemd heeft het toelatingsbeleid in de loop der tijd meerdere functies gekregen: de student leren kennen, helpen met de beroepskeuze en een haalbare opleiding kiezen. Ook met de komst van het toelatingsrecht, nu weigeren niet of nauwelijks meer aan de orde zal zijn, blijven deze functies van groot belang. Door de student al in een vroeg stadium te leren kennen wordt informatie verzameld die benut kan worden tijdens de opleiding, bijvoorbeeld door het leveren van maatwerk of bij de loopbaanbegeleiding. Ook kan in een vroeg stadium worden ontdekt of de opleiding overeenkomt met de verwachting en capaciteiten en zo nodig op tijd een alternatief worden gevonden.   

  2. Laat de toelatingsprocedure een periode zijn in plaats van een moment

    Voor jongeren is het aanbod aan beroepen enorm en zij hebben over het algemeen weinig steun uit hun directe omgeving bij de studie- en beroepskeuze. Een verkeerde studiekeuze brengt het risico op voortijdig schoolverlaten (vsv) met zich mee, vooral in het eerste leerjaar. Een mogelijke oplossing is om de toelating niet te beperken tot één moment, maar te verspreiden over een langere periode waarin student en opleiding samen achterhalen of de inhoud van de opleiding en het niveau past (Van Wijk, Petit & Westerhuis, 2014; Karsten, 2016). Het is bijvoorbeeld mogelijk om niveau 3 en 4 samen te laten starten, en pas na enkele maanden op te splitsen in een niveau 3- en een niveau 4-groep.

  3. Gebruik objectieve instrumenten en criteria

    Een instelling kan deelname aan intake-activiteiten verplicht stellen. Hoe uitgebreid is het instrumentarium dat wordt ingezet? Wordt bijvoorbeeld alleen een overdrachtsdossier gebruikt of ook een intakegesprek? Een studie van Sluijter (2013) leert dat de inschatting van ‘de mens’ bij het voeren van intakegesprekken en het geven van studieadviezen in de regel te wensen overlaat als het gaat om het voorspellen van toekomstige prestaties. Uit het hoger onderwijs weten we immers dat de voorspellende waarde van intakegesprekken en toelatingstoetsen gering is en dat een instrument ‘na de poort’ – zoals bijvoorbeeld een eerste tentamen – een betere voorspeller is van studiesucces (Cito, 2005). De motivatie beoordelen op basis van één gesprek is eveneens weinig betrouwbaar, meent testdeskundige Pieter Drenth. Mensen laten zich onbewust beïnvloeden door irrelevante kenmerken zoals verbale vermogens en uiterlijk (Drenth, 2004). Dit onderstreept het belang van objectieve criteria en instrumenten. En niet te snel oordelen op basis van een gesprek.

  4. Regelmatige evaluatie

    Binnen mbo-instellingen krijgt het toelatingsbeleid op uiteenlopende manieren vorm. Wat werkt goed, wat minder? Hoe wordt nagegaan of het toelatingsbeleid goed werkt? Om toelating tot mbo-opleidingen verder te professionaliseren en te verbeteren, is het van belang om kennis te nemen van de verschillende praktijken, regelmatig te evalueren en antwoorden te vinden op essentiële vragen. Intervisie waarbij collega’s lastige kwesties met elkaar bespreken en het bijhouden en volgen van de leerresultaten van studenten die al dan niet zijn geplaatst, kunnen hierbij helpen. Een uitdagende opgave voor intakemedewerkers en andere professionals in het mbo. 
 
 

Bronnen:


  • Cito (2005). Schipper mag ik overvaren? Over selectie van aankomende studenten door universiteiten. Arnhem: Cito.
  • Drenth, P.J.D. (2004). Selectie aan de poort werkt niet. NRC Handelsblad, 08-04-2004.
  • Fettelaar, D., Leest, B., Eck, E. van, Verbeek, F., Vegt, A.L. van der, Jongeneel, M. (2013). Selectiemechanismen in het onderwijs. Nijmegen/Amsterdam/Utrecht: ITS/Kohstamm Instituut/Oberon.
  • Karsten, S. (2016). De hoofdstroom in de Nederlandse onderwijsdelta. Een nuchtere balans van het mbo. Apeldoorn/Antwerpen: Garant.
  • Sluijter, C (2013). Selectie bij overgangen in het onderwijs; een beknopte literatuurstudie. Arnhem: Cito (in opdracht van de Onderwijsraad).
  • Wijk. B., Petit, R. & Westerhuis, A. (2014). Kansrijk toelatingsbeleid. Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 2014(5), 7-20
  • Wijk, B. van (2013a). Kansrijk Toelatingsbeleid. Deel 1: De kaders benutten. ‘s-Hertogenbosch/Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
  • Wijk, B. van (2013b). Kansrijk Toelatingsbeleid. Deel 2: De functie bepalen. ‘s-Hertogenbosch/Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
  • Wijk, B. van (2013c). Kansrijk Toelatingsbeleid. Deel 3: De procedure invullen. ‘s-Hertogenbosch/Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.

REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Door:   lobschool@upcmail.nl  |  14-05-2018

Goed dat de toelating, intake en studiekeuzecheck aandacht blijft krijgen. Bij ROC A12 zijn al diverse 'intakers' geschoold in een combinatie competenties van assessor en loopbaanbegeleider. Eenduidige en transparante criteria maken een plaatsing meer succesvol. Hierbij past een competentieprofiel voor de intakers. Zie https://docs.wixstatic.com/ugd/e5b861_829aa8b34eea41faa4e29b2cb06a193c.pdf
De training werd hoog gewaardeerd en uitgevoerd door LOB@school. Voor meer info zie www.lobschool.nl
Jan Willem Bruil.

Door:   jjchrist2@hotmail.com  |  21-09-2017

mijn zoon had zich na introductieweek bedacht dat hij toch in eigen woonplaats een andere mbo-opleiding wil doen. In overleg met contactpersoon van mbo-college waar hij ingeschreven stond en telefonisch overleg met mbo in onze woonplaats werd geadviseerd toch in te schrijven ook al was de 1e week bijna voorbij van het schooljaar. Het intakegesprek heeft pas heden plaatsgevonden, nu willen ze hem weigeren omdat hij te laat is ingeschreven voor de opleiding. Op de vraag of hij dan niveau 2 mocht doen zodat ie toch naar school kan werd direkt afwijzend op gereageerd. Mag dit? Om nu weer de opleiding te hervatten wat ie niet ziet zitten is ook weggegooid geld. Hij is 17 overigens.

Door:   joanvanbelzen@outlook.com  |  12-04-2017

is er ook beleid over maximale toelatingseisen. als voorbeeld, kan iemand die een mbo niveau 3 of hbo opleiding al behaald heeft zich in het kader van omscholing aanmelden voor een opleiding op mbo niveau 2?? Zijn hier algemene regels over??
Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN